|
Uitspraak
04/559 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Gravenhage op 16
december 2003, nr. AWB 03/2171 WW, tussen partijen gegeven uitspraak,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 15 juni 2005, waar voor
appellant is verschenen mr. P.A.M. Staal, advocaat te Utrecht, en waar
gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.J.M. Kluytmans,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Appellant was sedert 17 oktober 2001 werkzaam bij ZH Transporten op
basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, welke op 17 april
2002 van rechtswege is geëindigd. ZH Transporten was de handelsnaam van
W.C. Haak Holding BV. Deze vennootschap is op 15 mei 2002 in staat van
faillissement verklaard.
Op 10 januari 2003 heeft appellant bij gedaagde een aanvraag ingediend
om de achterstallige loonbetalingen van ZH Transporten over te nemen,
welke aanvraag onder meer betrekking had op het loon over periode 4 van
het jaar 2002.
Bij besluit van 28 januari 2003 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen
op de grond dat de termijn van 26 weken als bedoeld in artikel 23 van de
WW was verstreken. Bij artikel 23 van de WW is bepaald dat het recht op
uitkering niet kan worden vastgesteld over perioden gelegen vóór 26
weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd
ingediend.
Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is door gedaagde bij het
bestreden besluit van 10 april 2003 ongegrond verklaard. Daarbij is
overwogen dat geen sprake was van een bijzonder geval als bedoeld in de
tweede volzin van artikel 23 van de WW op grond waarvan gedaagde de
bevoegdheid zou toekomen om van voornoemde regel af te wijken.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij vanaf medio januari
2002 in de veronderstelling verkeerde dat niet ZH Transporten maar ZH
Scheveningen zijn werkgever was. Deze veronderstelling was gebaseerd op
het feit dat appellant loonbetalingen ontving van andere bedrijven,
waaronder G. de Flart BV, waarvan ZH Scheveningen de handelsnaam was, en
op het verslag van een bijeenkomst van chauffeurs en kantoorpersoneel
van ZH Scheveningen van 12 januari 2002, waarbij was aangekondigd dat de
complete organisatie en administratie zou plaatsvinden op het kantoor
van ZH te Scheveningen. Appellant heeft daarom getracht zijn loon en
eindafrekening te verhalen op G. de Flart BV alsmede op ZH Transport BV
en Amsstav BV, bedrijven waarvan hij eveneens loonbetalingen had
ontvangen. Nadat appellant deze bedrijven op 3 januari 2003 had
gedagvaard is uit een brief van de curator gebleken dat deze
vennootschappen inmiddels failliet waren verklaard. Op grond hiervan is
appellant van mening dat sprake is van bijzondere omstandigheden op
grond waarvan gedaagde dient af te wijken van het bepaalde in de eerste
volzin van artikel 23 van de WW.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 68, tweede lid, juncto artikel 23 van de WW kan het
recht op uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW niet worden
vastgesteld over perioden gelegen vóór 26 weken voorafgaand aan de dag
waarop de aanvaag om een uitkering werd ingediend. Op grond van de
tweede volzin van laatstgenoemd artikel is gedaagde bevoegd om in
bijzondere gevallen hiervan af te wijken.
Tussen partijen is in hoger beroep slechts in geschil de vraag of sprake
is van een bijzonder geval als bedoeld in de tweede volzin van artikel
23 van de WW.
Naar het oordeel van de Raad had appellant ZH Transporten kunnen
aanspreken direct na het einde van het dienstverband. Met ZH Transporten
had hij immers zijn arbeidsovereenkomst gesloten. Uit de stukken blijkt
niet van een bedrijfsovername van ZH Transporten door ZH Scheveningen.
In het verslag van de op 12 januari 2002 gehouden bijeenkomst van de
chauffeurs en het kantoorpersoneel van ZH Scheveningen wordt alleen
gesteld dat vanaf 12 januari 2002 de complete organisatie en
administratie plaatsvindt op het kantoor van ZH te Scheveningen. ZH
Transporten is dan ook de werkgever gebleven. Dat appellants loon
feitelijk door andere bedrijven werd betaald doet daaraan niet af. Had
appellant ZH Transporten eerder aangesproken, dan zou uit informatie van
de Kamer van Koophandel zijn gebleken van het faillissement en had hij
tijdig bij gedaagde een aanvraag om overname van de
betalingsverplichtingen kunnen indienen.
Gelet hierop kan de Raad niet concluderen tot de aanwezigheid van
bijzondere omstandigheden op grond waarvan gedaagde gehouden was om af
te wijken van het bepaalde in de eerste volzin van artikel 23 van de WW.
Weliswaar acht de Raad voorstelbaar dat bij appellant onduidelijkheid
heeft bestaan over de vraag wie zijn werkgever was, maar dit had hem er
niet van hoeven te weerhouden om, naast G. de Flart BV en andere
bedrijven van wie hij loonbetalingen had ontvangen, óók bij ZH
Transporten te trachten zijn achterstallig loon en eindafrekening te
verhalen.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat
de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H.G. Rottier
en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2005.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P. Boer.
|
|