|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/5794 WW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant, beweerdelijk namens
[betrokkene], wonende te [woonplaats],
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij beroepschrift van 15 oktober 2004 heeft [opposant], wonende te
[woonplaats], beweerdelijk namens [betrokkene] bij de Raad van State,
Afdeling bestuursrechtspraak, hoger beroep ingesteld tegen een door de
rechtbank Rotterdam op 16 september 2004, registratienummer WW 03/3729,
tussen partijen gegeven uitspraak.
Bij schrijven van 25 oktober 2004 heeft de Raad van State het
beroepschrift aan de Raad ter verdere afhandeling toegezonden.
Bij uitspraak van 23 februari 2005 heeft de Raad het hoger beroep
niet-ontvankelijk verklaard omdat opposant het griffierecht niet binnen
de gestelde termijn heeft voldaan.
Tegen deze uitspraak is verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 6 juli 2005 waar appellant - met
bericht - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. G.G. Prijor, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Nu opposant wederom geen machtiging heeft overlegd, moet hij geacht
worden voor zichzelf verzet te hebben gedaan.
Blijkens het ingediende verzetschrift is het verzet gericht tegen de
niet-ontvankelijkverklaring voor zover deze het niet overleggen van een
machtiging betreft.
Hetgeen opposant in verzet heeft aangevoerd vormt geen grond om de niet
tijdige betaling van het griffierecht verontschuldigbaar te achten.
Hiertoe overweegt de Raad dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is
verklaard wegens het niet tijdig voldoen van het verschuldigde
griffierecht. Hierbij merkt de Raad op dat opposant bij brief van 21 december 2004 slechts uitstel heeft verzocht voor het indienen van
een machtiging, dat dit verzoek bij de Raad is ontvangen na afloop van
de door de Raad gestelde termijn voor het voldoen van het griffierecht
en dat die brief een niet terzake doende verband legt tussen het
vereiste van een machtiging en het voldoen van het griffierecht.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van P. Boer
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2005.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) P. Boer.
|
|