|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/2176 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, op
bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen tegen de
onder dagtekening 3 maart 2004 tussen partijen gewezen uitspraak van de
rechtbank ’s-Gravenhage, reg.nr. AWB 03/2591 WW, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 13 juli 2005, waar appellant en
zijn gemachtigde - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen, en waar
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Met zijn aanvraagformulier van 15 oktober 2002 heeft appellant gedaagde
verzocht hem met ingang van 1 mei 2002 in aanmerking te brengen voor
overname van onbetaald gebleven loonbetalingsverplichtingen uit zijn
dienstverband met [naam uitzendbureau] Uitzendbureau B.V. (hierna: [naam
uitzendbureau]).
Bij besluit van 27 maart 2003 heeft gedaagde geweigerd de
loonbetalingsverplichtingen van [naam uitzendbureau] over te nemen.
Gedaagde heeft hierbij in aanmerking genomen dat [naam uitzendbureau]
haar activiteiten reeds op 1 juli 2001 heeft gestaakt en op dat moment
niet verkeerde in een toestand van blijvende betalingsonmacht. Voorts
stelt gedaagde zich op het standpunt dat appellant onvoldoende
aannemelijk heeft gemaakt dat het dienstverband met [naam uitzendbureau]
na 1 juli 2001 nog heeft voortgeduurd en dat er na die datum nog
loonbetalingen door [naam uitzendbureau] zijn verricht.
Na gemaakt bezwaar heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit van 23
juni 2003 de weigering loonbetalingsverplichtingen van [naam
uitzendbureau] over te nemen gehandhaafd.
De rechtbank heeft appellants beroep tegen het besluit 23 juni 2003
ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat appellant
er niet in is geslaagd zijn aanspraken jegens [naam uitzendbureau] en de
hoogte daarvan aannemelijk en geloofwaardig te maken. De rechtbank neemt
hierbij in aanmerking dat appellant geen enkel document heeft
overgelegd, waaruit zijn aanspraken en de hoogte daarvan zouden kunnen
worden afgeleid. De rechtbank is dan ook van oordeel, waarbij zij in het
midden laat of op 1 juli 2001 sprake was van betalingsonmacht bij [naam
uitzendbureau], dat gedaagde op genoegzame gronden heeft geconcludeerd
dat er geen sprake is van voor overname in aanmerking komende
loonbetalingsverplichtingen.
In hoger beroep heeft appellant - wederom - naar voren gebracht dat hij,
blijkens het geautomatiseerde systeem van gedaagde genaamd WeBBR, stond
ingeschreven als zijnde in dienst bij [naam uitzendbureau] van 17 juli
2000 tot 30 juni 2002. Daarnaast is er wel degelijk sprake van dat [naam
uitzendbureau] medio 2002 in financiële problemen is geraakt. De
voormalig boekhouder, de heer [boekhouder], heeft immers aan een
medewerker van gedaagde verklaard dat [naam uitzendbureau] medio 2002
gestopt is, terwijl volgens de enig aandeelhouder, de heer [directeur],
de directeur met de kas vertrokken is.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad komen vorderingen niet voor
overname op basis van hoofdstuk IV van de WW in aanmerking als zij niet
duidelijk aanwijsbaar zijn, niet voldoende concreet zijn en aan gerede
twijfel onderhevig. De Raad is van oordeel dat appellant op geen enkele
wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij een vordering heeft op [naam
uitzendbureau]. Onder de stukken bevindt zich geen enkel document, zoals
een arbeidsovereenkomst, loonafschriften of werkbriefjes, waaruit
appellants aanspraken en de hoogte daarvan zouden kunnen worden
afgeleid. De verklaring van de voormalig boekhouder [boekhouder] dat
[naam uitzendbureau] medio 2002 gestopt is, welke verklaring overigens
niet strookt met zijn latere in 2003 afgelegde verklaring waaruit kan
worden afgeleid dat [naam uitzendbureau] haar activiteiten reeds in 2001
heeft gestaakt, acht de Raad onvoldoende.
Aan de wijze waarop appellants dienstverband met [naam uitzendbureau] in
het geautomatiseerde systeem van appellant WeBBR is geregistreerd, kan
de Raad ook niet die betekenis hechten die appellant daaraan toegekend
wenst te zien. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat, zoals gedaagde
ter zitting van de Raad heeft toegelicht, aan dit systeem geen
uitgebreid onderzoek door gedaagdes buitendienst ten grondslag ligt.
Voorts stelt de Raad vast dat het systeem onbetrouwbaar is, nu daarin
bij de gegevens van de werkgever Tree Group Holland B.V., waarvan [naam
uitzendbureau] de handelsnaam is, als einddatum is geregistreerd 30 juni
2001, terwijl uit raadpleging van de ten aanzien van appellant in dat
systeem opgenomen gegevens volgt dat appellant tot 30 juni 2002 in
dienst zou zijn geweest van Tree Group Holland B.V.
Wat hier overigens van zij, uit het voorgaande kan naar het oordeel van
de Raad niet worden afgeleid dat appellant nog een vordering op [naam
uitzendbureau] zou hebben. Appellants claim om overname van
loonbetalingsverplichtingen van [naam uitzendbureau] op basis van
hoofdstuk IV van de WW komt niet voor toewijzing in aanmerking en is
door gedaagde dan ook terecht afgewezen.
Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak
voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. Bolt, in tegenwoordigheid van P. Boer als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2005.
(get.) H. Bolt.
(get.) P. Boer.
|
|