|
Uitspraak
03/5670 WW, 03/5671 TW en 03/5633 ZW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Appellant heeft op bij beroepschriften aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen de op 8 oktober 2003 door de rechtbank Almelo, onder nrs.
02/613 WW en nr. 03/16 ZW, tussen partijen gewezen uitspraken, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 20 april 2005, waar
appellant in persoon is verschenen en gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door J. Liesting, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Na de behandeling van de gedingen ter zitting van de Raad is gebleken
dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad
heeft besloten het onderzoek te heropenen.
Bij brief van 14 juli 2005 heeft gedaagde de door de Raad voorgelegde
vragen beantwoord.
Nadat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, heeft de Raad op
grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald
dat een nadere zitting achterwege kan blijven en het onderzoek gesloten.
II. MOTIVERING
1. De Raad stelt voorop dat de in deze gedingen aan de orde zijnde
geschillen worden beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW),
de Toeslagenwet (TW) en de Ziektewet (ZW) en de op deze wetten
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2.1. Voor een uitgebreidere weergave van de van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken. Hier
volstaat de Raad met het volgende.
2.2. Appellant is per 3 mei 1999 door gedaagde in aanmerking gebracht
voor een WW-uitkering, berekend naar een arbeidsurenverlies van 38,75
uur per week. Op het aanvraagformulier voor het verkrijgen van
WW-uitkering heeft appellant aangegeven dat hij bezig was te onderzoeken
of hij als zelfstandige kon gaan werken. Op de werkbriefjes over de
periode van 3 mei 1999 tot en met eind december 2000 heeft appellant
ofwel aangegeven geen arbeid te hebben verricht ofwel aangegeven slechts
enkele uren per week arbeid als zelfstandige te hebben verricht. Begin
augustus 1999 heeft gedaagde een schriftelijke tip ontvangen, waaruit
viel af te leiden dat appellant meer uren als zelfstandige werkzaam was
dan hij opgaf. Na 1 januari 2001 is geen WW-uitkering meer aan appellant
verstrekt.
2.3. Bij besluiten van 21, respectievelijk 28 november 2000 heeft
gedaagde de aanvragen van appellant van 1, respectievelijk 23 november
2000 voor een uitkering krachtens de TW afgewezen omdat appellant niet
aan de voorwaarden daartoe voldeed.
2.4. Appellant heeft zich met ingang van 4 januari 2000 ziek gemeld. Met
ingang van die datum is diens WW-uitkering beëindigd en heeft appellant
ZW-uitkering ontvangen tot en met 27 februari 2000. Nadien is de
WW-uitkering weer hervat.
2.5. Naar aanleiding van de hierboven vermelde tip heeft een onderzoek
plaatsgevonden door de Opsporingsdienst Regio Oost van Gak Nederland BV,
waarvan de resultaten zijn opgenomen in het “rapport
werknemersfraude” van 23 november 2001. Blijkens dit rapport heeft een
drietal getuigen verklaard dat appellant een groot aantal uren per week
ten behoeve van zijn eigen onderneming werkzaam was. Appellant heeft
tegenover de opsporingsfunctionaris van gedaagde verklaard dat hij
gemiddeld 30 uur per week, vooral in de avonduren maar daarnaast ook
overdag, voor zijn onderneming werkzaam was, dat hij de zogenoemde
WW-brochure had ontvangen en dat hij het merendeel van de hier bedoelde
werkzaamheden niet op de desbetreffende werkbriefjes had vermeld, omdat
hij uit contacten met functionarissen van gedaagde meende te hebben
begrepen dat hij werk in de avonduren niet behoefde op te geven. De heer
Hagenbeek, werkzaam bij gedaagde, die in dit verband door appellant is
genoemd, heeft evenwel tegenover de opsporingsfunctionaris verklaard
dat verschillende malen aan appellant duidelijk is gemaakt dat hij alle
uren waarop hij als zelfstandige werkzaam was op de werkbriefjes diende
te verantwoorden.
2.6. Naar aanleiding van voormeld onderzoek heeft gedaagde appellant bij
besluit van 19 februari 2002 meegedeeld dat de toekenning van diens WW-uitkering per
3 mei 1999 wordt herzien, omdat moet worden aangenomen dat hij per
genoemde datum op minstens 33,75 uur per week als zelfstandige werkzaam
is geweest, zodat hij voor die uren het werknemerschap heeft verloren.
Als gevolg daarvan, zo heeft gedaagde daarbij gesteld, resteert een
arbeidsurenverlies van minder dan 5 uur per week, waarmee geen sprake
meer is van werkloosheid in de zin van artikel 16, eerste lid, van de
WW. Omdat het recht op WW-uitkering met terugwerkende kracht wordt beëindigd,
dient ook het op het ontvangen van deze uitkering gebaseerde recht op
uitkering krachtens de TW te worden herzien. Bij besluit van 20 februari
2002 heeft gedaagde de over de periode van 3 mei 1999 tot en met 31
december 2000 verstrekte uitkeringen krachtens de WW en de TW tot een
bedrag van € 23.375,41 (€ 23.027,86 aan WW-uitkering en € 347,55
aan TW-uitkering) van appellant teruggevorderd.
2.7. Bij besluit van 29 augustus 2002 heeft gedaagde het besluit tot
toekenning van ZW-uitkering per 4 januari 2000 ingetrokken, omdat
appellant op die datum niet verzekerd was op grond van deze wet. Bij
besluit van diezelfde datum heeft gedaagde de over de periode van 4
januari 2002 tot en met 27 februari 2000 verstrekte ZW-uitkering tot een
bedrag van € 2.380,56 van appellant teruggevorderd.
2.8. Het tegen de besluiten inzake de WW en de TW door appellant
gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 21 juni 2002 (bestreden
besluit 1) ongegrond verklaard. Bij besluit van 3 december 2002
(bestreden besluit 2) heeft gedaagde het door appellant tegen voormelde
besluiten inzake de ZW gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.9. Appellant heeft tegen de bestreden besluiten 1 en 2 beroep
ingesteld, waarbij hij zich met name heeft gericht tegen de herziening
met terugwerkende kracht van zijn recht op WW-uitkering. Daarbij heeft
hij - kort samengevat - betwist dat gedaagde op goede gronden tot de
conclusie is gekomen dat hij per 3 mei 1999 meer dan 33,75 uur per week
als zelfstandige werkzaam is geweest. Hij heeft daartoe gesteld dat uit
de door hem overgelegde facturen blijkt dat hij in de periode 3 mei 1999
tot en met 3 augustus 1999 33,75 uur per week heeft gewerkt. Tevens
heeft appellant gesteld dat hij medewerkers van gedaagde had geïnformeerd
over het opstarten van zijn eigen onderneming en heeft hij benadrukt dat
het onderzoek van gedaagde, na het ontvangen van de tip, erg lang heeft
geduurd en dat hij door de in geding zijnde besluiten onevenredig wordt
getroffen.
3.1. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond
verklaard voor zover het de handhaving in bezwaar van het besluit tot
herziening van de toekenning van de TW-uitkering betreft. Zij heeft
daartoe overwogen dat, nu gedaagde te kennen heeft gegeven geen besluit
tot toekenning van TW-uitkering te hebben genomen, het besluit tot
herziening van die uitkering niet op rechtsgevolgen gericht kan zijn,
zodat het bezwaar tegen het herzieningsbesluit niet-ontvankelijk had
moeten worden verklaard. Zij heeft bestreden besluit 1 in zoverre
vernietigd en het bezwaar van appellant alsnog in zoverre
niet-ontvankelijk verklaard.
Voor het overige heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1
ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij - kort weergegeven - overwogen
dat, hoewel de getuigenverklaringen niet tot in detail gelijkluidend
zijn, toch op grond daarvan en met name ook op grond van de verklaring
van appellant zelf, gedaagde met recht tot de conclusie heeft kunnen
komen dat er per 3 mei 1999 geen sprake was van een verlies van ten
minste 5 arbeidsuren per week zodat er geen sprake was van werkloosheid
in de zin van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW. Naar
haar oordeel is gebleken dat appellant in de maand mei 1999 38 uur per
week als zelfstandige werkzaam is geweest, waardoor er geen relevant
urenverlies resteerde. Het recht van appellant op WW-uitkering is
daardoor, zo oordeelt de rechtbank vervolgens, geheel geëindigd en
appellant heeft daardoor zijn hoedanigheid van werknemer verloren. Nu
appellant zijn werkzaamheden als zelfstandige pas heeft beëindigd op
het moment dat de op zijn naam staande ondernemingen zijn opgeheven c.q.
failliet zijn verklaard (31 december 2001) heeft appellant het
werknemerschap niet herkregen. Voorts heeft de rechtbank nog overwogen
dat de omstandigheid dat appellant medewerkers van gedaagde al op de
hoogte had gesteld van zijn, in zijn ogen oriënterende, werkzaamheden
als zelfstandige niet meebrengt dat hij is ontslagen van zijn
verplichting om alle daaraan bestede uren correct aan gedaagde op te
geven. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is naar haar
oordeel geen sprake. Appellant had de door hem geleden schade kunnen
beperken door de werkbriefjes correct in te vullen.
De rechtbank heeft tot slot geconstateerd dat het voorgaande betekent
dat gedaagde op grond van de desbetreffende wettelijke bepalingen
verplicht was om tot terugvordering over te gaan. In hetgeen appellant
over zijn financiële positie heeft gesteld, heeft de rechtbank geen
dringende redenen gezien op grond waarvan gedaagde van herziening en
terugvordering had dienen af te zien.
3.2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond
verklaard. Daartoe heeft zij, onder verwijzing naar haar hiervoor
weergegeven uitspraak, geoordeeld dat appellant op 4 januari 2000 (de
eerste ziektedag) noch op grond van artikel 7, aanhef en sub a, van de
ZW, noch op grond van enige andere bepaling verzekerd was op grond van
die wet, en dat gedaagde op grond van artikel 30a, eerste lid, en
artikel 33, eerste lid, van de ZW verplicht was om tot herziening en
terugvordering over te gaan. Dringende redenen om van een en ander af te
zien, worden door de rechtbank niet aanwezig geacht.
4. Appellant heeft in hoger beroep in wezen de in eerste aanleg
aangevoerde grieven herhaald.
5. De Raad oordeelt als volgt.
5.1. In de eerste plaats is, gelet op hetgeen appellant in hoger beroep
heeft aangevoerd, de vraag aan de orde of het door gedaagde bij het
bestreden besluit 1 ingenomen standpunt dat appellant per 3 mei 1999
werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht in een omvang van 37,15
uur per week zodat het recht van appellant op WW-uitkering tot die
omvang is geëindigd, in rechte stand kan houden. De Raad ziet in de
voorhanden zijnde gegevens, waarvan hij met name noemt het rapport
werknemersfraude van 23 november 2001, genoegzaam steun voor een
bevestigende beantwoording van deze vraag. Hetgeen appellant met
betrekking tot dit punt in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft
de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
5.2. In de tweede plaats is de vraag aan de orde of het door gedaagde
bij het bestreden besluit 1 ingenomen standpunt dat appellant, gelet op
de omvang van zijn werkzaamheden als zelfstandige per 3 mei 1999, niet
meer als werkloos kan worden aangemerkt in de zin van artikel 16, eerste
lid, aanhef en onder a, van de WW, in rechte stand kan houden. Gedaagde
heeft in hoger beroep alsnog te kennen gegeven dit standpunt niet langer
juist te achten, omdat op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en
onder a, van de WW in samenhang met artikel 20, tweede lid, van de WW
het recht op uitkering slechts eindigt ter zake van het aantal uren dat
appellant werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als
werknemer in de zin van de WW wordt beschouwd en dat deze uren niet in
mindering komen op het arbeidsurenverlies, zodat, gelet op het ten
aanzien van appellant aangenomen gemiddeld aantal arbeidsuren van 38,75
uur per week, niet staande kan worden gehouden dat appellant per 3 mei
1999 niet meer werkloos is te achten in de zin van artikel 16, eerste
lid, aanhef en onder a, van de WW op de grond dat er geen relevant
arbeidsurenverlies meer zou resteren. De Raad acht dit nadere standpunt
van gedaagde juist en ziet daarin aanleiding om te oordelen dat het
bestreden besluit 1 geen stand kan houden.
5.3. Gedaagde heeft zich in zijn schrijven van 14 juli 2005 alsnog op
het standpunt gesteld dat op grond van de voorhanden zijnde gegevens
voldoende aannemelijk is dat appellant op 3 mei 1999 minimaal 38,75 uur
per week werkzaam is geweest als zelfstandige. De Raad ziet evenwel in
hetgeen in dat schrijven is gesteld onvoldoende grond om alsnog te
oordelen dat het bestreden besluit, waarbij de per 3 mei 1999 toegekende
WW-uitkering met terugwerkende kracht is ingetrokken, in rechte stand
kan houden. Hij wijst er daartoe op dat gedaagde bij het bestreden
besluit 1 het aantal uren per week gedurende welke appellant
werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht, op grond van de
beschikbare gegevens uitdrukkelijk en onderbouwd heeft vastgesteld op
37,15 uur, zodat de Raad, nu het thans door gedaagde ingenomen standpunt
dat appellant minimaal 38,75 uur per week als zelfstandige werkzaamheden
heeft verricht verder niet nader door gedaagde wordt onderbouwd, geen
aanleiding ziet om van dat nadere standpunt uit te gaan. Het nader door
gedaagde in het schrijven van 14 juli 2005 ingenomen standpunt inzake
het aantal uren waarover op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en
onder a, van de WW het recht op uitkering eindigt, acht de Raad, gelet
op het voorgaande, onvoldoende onderbouwd.
5.4. Voorts is de Raad van oordeel dat de in het schrijven van 14 juli
2005 opgenomen stelling dat, als ervan moet worden uitgegaan dat er nog
een deel van het arbeidsurenverlies resteert, appellant moet worden
geacht voor dat deel niet beschikbaar te zijn geweest voor arbeid, een
feitelijke onderbouwing ontbeert. Hij wijst er daartoe op dat in het aan
het bestreden besluit 1 voorafgegane onderzoek naar de beschikbaarheid
voor arbeid van appellant geen onderzoek is gedaan en dat deze stelling
in het schrijven van 14 juli 2005 ook niet wordt onderbouwd.
5.5. Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat
het bestreden besluit 1 geen stand kan houden en dat de aangevallen
uitspraak, waarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard,
dient te worden vernietigd.
5.6. Gelet op het voorgaande is de Raad voorts van oordeel dat, nu
bestreden besluit 2 voortbouwt op bestreden besluit 1, ook bestreden
besluit 2 geen stand kan houden. Ook de aangevallen uitspraak waarbij
het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard, komt
derhalve voor vernietiging in aanmerking.
6. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten op grond van
artikel 8:75 van de Awb is de Raad niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraken;
Verklaart de beroepen tegen de besluiten van 21 juni 2002 en 3 december
2002 gegrond en vernietigt die besluiten;
Bepaalt dat gedaagde nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming
van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant de door appellant in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde
griffierechten van in totaal € 232,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en
mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier,
en uitgesproken in het openbaar op 28 september 2005.
(get.) H. Bolt.
(get.) P. Boer.
|
|