|
Uitspraak
04/2378 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is mr. P.J. van ’t Hoff, werkzaam bij Stichting
Rechtsbijstand te Tilburg, op bij beroepschrift aangegeven gronden in
hoger beroep gekomen tegen de onder dagtekening 31 maart 2004 tussen
partijen gewezen uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage, reg.nr.
03/4375 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 24 augustus 2005, waar appellant
in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. van ’t
Hoff voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door
mr. J.J. Grasmeijer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv).
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellant is met ingang van 19 november 2002 als fysiotherapeut in
dienst getreden bij Adremo Revalidatie Techniek (hierna: de werkgever)
voor 30 uur per week op basis van een arbeidsovereenkomst voor de
periode van een jaar. In deze arbeidsovereenkomst is een proeftijd van
twee maanden opgenomen. Op 31 december 2002 is aan het dienstverband
een einde gekomen.
Met het thans bestreden besluit van 8 september 2003 heeft gedaagde, na
bezwaar, appellant de toekenning van een WW-uitkering blijvend geheel
geweigerd onder de overweging dat appellant verwijtbaar werkloos is
geworden uit zijn dienstbetrekking met de werkgever, omdat hij
verwijtbaar heeft ingestemd met de beëindiging van zijn dienstverband.
Had appellant de nietigheid van het ontslag moeten inroepen omdat de
werkgever, gelet op de nietigheid van het proeftijdbeding, niet de
mogelijkheid had hem in de proeftijd te ontslaan.
De rechtbank heeft appellants beroep tegen het besluit van 8 september
2003 ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat appellant zijn
werkloosheid onnodig door eigen toedoen heeft bewerkstelligd. De
rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat appellant, gelet op
zijn rugklachten, met de werkgever is overeengekomen het dienstverband
te beëindigen, terwijl niets appellant er aan in de weg stond zich bij
de werkgever ziek te melden. Als de werkgever in een dergelijke situatie
al aanleiding zou hebben gezien de arbeidsovereenkomst in de proeftijd
te beëindigen, dan had appellant naar het oordeel van de rechtbank de
nietigheid van het proeftijdbeding kunnen inroepen. De rechtbank acht
geen verminderde verwijtbaarheid aanwezig.
Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden.
Appellant meent dat hij niet verwijtbaar werkloos is geworden, omdat hij
heeft aangenomen dat de werkgever gerechtigd was de arbeidsovereenkomst
tijdens de overeengekomen proeftijd te beëindigen. Voorts had werkgever
appellant toegezegd dat hij na zijn herstel weer in dienst zou kunnen
treden. Appellant meent dat als hem al enig verwijt treft ten aanzien
van het niet nakomen van de verplichting verwijtbare werkloosheid te
voorkomen, hem dat, gelet op deze omstandigheden, niet in overwegende
mate kan worden verweten.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid onder
b, van de WW is sprake van verwijtbare werkloosheid indien de
dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting
ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting
redelijkerwijs niet van de werknemer zou kunnen worden gevergd.
In artikel 7:652, vierde lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk
Wetboek (BW) is bepaald dat bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst
voor bepaalde tijd een proeftijd kan worden overeengekomen van ten
hoogste één maand indien de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor een
periode korter dan twee jaar. Tussen partijen is niet in geschil dat de
op appellant en zijn werkgever van toepassing zijnde CAO
Metaalbewerkingsbedrijf 2002 geen afwijkende proeftijdbepaling kent,
zodat er geen mogelijkheid is op grond van artikel 7:652, zesde lid, van
het BW ten nadele van de werknemer af te wijken van de in het vierde
lid, aanhef en onder a, van dit artikel vastgestelde proeftijd.
Blijkens de stukken en hetgeen ter zitting van de Raad door appellant
naar voren is gebracht, gaat de Raad er vanuit dat er tijdens de twee -
naar thans blijkt telefonische - gesprekken tussen appellant en de
werkgever op 31 december 2002, besloten is appellants dienstverband met
wederzijds goedvinden te beëindigen, omdat appellant had aangegeven het
werk, gelet op zijn rugklachten, te belastend te vinden. Hierbij zou
zijn afgesproken dat appellant in juni 2003 bij de werkgever kon
terugkeren als zijn rugklachten zouden zijn verminderd. Appellant is
uiteindelijk niet bij werkgever teruggekeerd, naar zeggen van appellant
omdat de werkgever zijn toezeggingen niet nakwam.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat, nu appellant met de
werkgever is overeengekomen het dienstverband te beëindigen, terwijl
niets appellant er aan in de weg stond zich bij zijn werkgever ziek te
melden en zo het dienstverband te laten voortduren, hij onnodig heeft
meegewerkt aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking, zodat hij
verwijtbaar werkloos moest worden geacht. Dat appellant, zoals hij zelf
aangeeft, zich hierbij heeft laten leiden door het feit dat hij meende
dat de werkgever, ook als hij niet zou instemmen met de beëindiging van
het dienstverband, hem in de proeftijd zou kunnen ontslaan, doet hier
naar het oordeel van de Raad niet aan af. In dat geval had appellant
zich tegenover de werkgever kunnen beroepen op een niet rechtsgeldig
gegeven ontslag omdat er sprake is van een ongeldig proeftijdbeding, bij
gebreke waarvan hem eveneens zou kunnen worden tegengeworpen dat hij
heeft meegewerkt aan de beëindiging van de dienstbetrekking.
Gelet op artikel 27, eerste lid, van de WW is gedaagde in dit geval in
beginsel gehouden de uitkering blijvend geheel te weigeren. De
toezeggingen die de werkgever heeft gedaan waren slechts mondeling en in
zeer algemene termen gesteld. Die toezeggingen waren dan ook niet van
dien aard dat appellant door enige zekerheid ten aanzien van een
terugkeer bij de werkgever aan kon ontkomen. Ten aanzien van het
proeftijdbeding heeft appellant zich niet nader georiënteerd op een
juridische betekenis daarvan terwijl daartoe, gelet op de omstandigheden
waaronder dit aan de orde werd gesteld gerede aanleiding bestond. De
Raad is dan ook van oordeel dat er geen aanleiding is om te concluderen
dat de werkloosheid niet in overwegende verwijtbaar is.
Een en ander leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van
appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. C.P.J. Goorden als voorzitter en mr. H.G. Rottier
en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2005.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) L. Karssenberg.
|
|