|
Uitspraak
02/3456 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. R.W. Dijkhuizen, werkzaam bij SRK
Rechtsbijstand, op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 22 mei 2002, nr. WW
01/2166, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 10
augustus 2005, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
1.0. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde
geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de
daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van
belang.
1.1. Appellant, geboren in 1951, is sinds 1 april 1993 werkzaam als
[functie] in dienst van Computer Plusgroep Hofman BV (hierna: de
werkgever). Blijkens de arbeidsovereenkomst verdiende appellant een vast
salaris en daarnaast een provisie van 12% van de door hem gerealiseerde
“brutowinstbijdrage”, die werd uitbetaald in de maand volgende op
die waarin de order is geboekt.
Appellant is op 29 mei 2000 op non-actief gesteld. De werkgever is op 9
augustus 2000 in staat van faillissement verklaard. De curator heeft de
arbeidsovereenkomst met appellant opgezegd met inachtneming van de
opzegtermijn van zes weken als genoemd in artikel 40 van de
Faillissementswet (Fw), verlengd met vier weken in verband met
appellants leeftijd op grond van het voor 1 januari 1999 geldende recht,
derhalve een termijn van totaal tien weken.
2.1. Gelet op de standpunten van partijen is in hoger beroep nog slechts
aan de orde of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat
gedaagde bij het op bezwaar gegeven besluit van 17 augustus 2001 (het
bestreden besluit) de overneming van de loonbetalingsverplichtingen van
de werkgever terecht heeft beperkt tot een opzegtermijn van zes weken
(met dien verstande dat gedaagde de facto zeven weken heeft overgenomen
en daarvan niet terugkomt) en de provisie over de tijdvakken van artikel
64 van de WW heeft gebaseerd op het gemiddelde van de over de maanden
februari, maart en april 2000 door appellant ontvangen provisie.
2.2. Met betrekking tot de over te nemen opzegtermijn verwijst de Raad
naar zijn uitspraak van 27 april 2005 LJN: AT4656, gepubliceerd in USZ
2005/267 en RSV 2005/215. Daar heeft de Raad als zijn oordeel gegeven
dat de curator bij opzegging op grond van artikel 40 Fw tevens het
overgangsrecht van artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid in
aanmerking moet nemen ten aanzien van werknemers die op 1 januari 1999
45 jaar of ouder en in dienst van de failliet verklaarde werkgever
waren, welke opvatting de curator in het faillissement van appellants
werkgever trouwens ook huldigde. Bij die uitspraak heeft de Raad tevens
geoordeeld dat voor de uitleg van artikel 64, aanhef en onder b, van de
WW, voor zover dat artikel verwijst naar artikel 40 van de Fw, voormeld
overgangsrecht in aanmerking moet worden genomen. Ook in het geval van
appellant is de Raad dat oordeel toegedaan. Gedaagde heeft derhalve bij
het bestreden besluit ten onrechte de opzegtermijn gemaximeerd op zeven
weken.
2.3. Met betrekking tot de in aanmerking te nemen provisie overweegt de
Raad als volgt. Gedaagde is daarbij uitgegaan van de gemiddeld over de
drie maanden voorafgaand aan de op-non-actiefstelling door appellant
ontvangen provisie. Blijkens het bestreden besluit heeft hij daarbij
aansluiting gezocht bij de 13-wekentermijn van artikel 64, aanhef en
onder a, van de WW. Appellant wenst de provisie berekend te zien op
basis van de gemiddeld over de jaren 1997 tot en met 1999 ontvangen
provisie. Op die basis heeft hij een vordering tegen de werkgever
ingediend bij ingediend bij de kantonrechter, die echter wegens het
faillissement niet tot een uitspraak is gekomen.
2.4. Onderkennend dat iedere keuze tot een waarschijnlijk enigermate
speculatieve uitkomst zal leiden, kan de Raad niet inzien waarom de
keuze van gedaagde in casu geen aanvaardbare maatstaf oplevert en zeker
niet dat de keuze van appellant een betere maatstaf oplevert. Het zich
onder de stukken bevindende overzicht van de door appellant
gefactureerde omzet in de jaren 1997, 1998 en 1999 laat een wisseling
per maand en per jaar zien. Appellant geeft noch in zijn dagvaarding
noch in het onderhavige geding een zakelijke motivering voor zijn keuze
voor genoemde jaren. Dat de hoogte van provisie over de maanden februari
tot en met april 2000, zoals appellant heeft gesteld, lager is
uitgevallen door toedoen van de werkgever acht de Raad geenszins
aannemelijk gemaakt. De omzet over deze drie maanden van 2000 is
beduidend hoger dan die in de overeenkomstige maanden van 1999.
3.1. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit voor
vernietiging in aanmerking komt voor zover het betreft de vaststelling
van de opzegtermijn. Ook de aangevallen uitspraak komt in zoverre voor
vernietiging in aanmerking. Gedaagde zal alsnog een besluit dienen te
nemen, waarbij de volledige opzegtermijn wordt overgenomen. Daarbij zal
hij tevens het verzoek van appellant tot vergoeding van renteschade
dienen te betrekken.
3.2. De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant wegens
verleende rechtsbijstand, begroot op € 322,-- in eerste aanleg en €
322,-- in hoger beroep, totaal derhalve € 644,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbende op de
vaststelling van de opzegtermijn;
Verklaart het beroep van appellant gegrond en vernietigt het bestreden
besluit voor zover betrekking hebbend op de vaststelling van de
opzegtermijn;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak van de Raad;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant begroot op €
644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door
appellant in beide instanties betaalde griffierecht van totaal €
109,23 aan hem vergoedt;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. T.
Hoogenboom en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van P.
Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 september 2005.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P. Boer.
|
|