|
Uitspraak
04/1586 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft bij beroepschrift van 23 maart 2004 hoger beroep
ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht op 12 maart 2004, nr.
AWB 03/1334 WW SEE, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft geen verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 20 juli 2005, waar appellant
zich heeft doen vertegenwoordigen door A.M.C. Crombach, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar gedaagde in
persoon is verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Gedaagde heeft per 1 april 2003 ontslag genomen uit haar betrekking bij
Cygnific BV te Amsterdam omdat zij zich genoodzaakt zag naar
[woonplaats] te verhuizen ten gevolge van het feit dat zij uit haar
woning (in onderhuur) werd gezet in Amsterdam en aldaar geen vervangende
woonruimte kon vinden.
Bij besluit van 14 mei 2003 heeft appellant de door gedaagde
aangevraagde WW-uitkering blijvend geheel geweigerd op de grond dat zij
verwijtbaar werkloos is aangezien de onvermijdelijkheid van haar
verhuizing niet is komen vast te staan.
Na bezwaar heeft appellant dit standpunt gehandhaafd en het thans
bestreden besluit van 18 augustus 2003 genomen.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het
bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Zij heeft
daarbij overwogen dat de onvermijdelijkheid van gedaagdes verhuizing
naar [woonplaats] onvoldoende is komen vast te staan en dat gedaagde
derhalve verwijtbaar werkloos is geworden. Naar het oordeel van de
rechtbank is de ontstane werkloosheid gedaagde evenwel niet in
overwegende mate te verwijten, nu gebleken is dat zij op zeer korte
termijn vervangende woonruimte diende te zoeken en zij wel degelijk
aanzienlijke moeite heeft gedaan om zowel in Amsterdam als daarbuiten
woonruimte te vinden.
In hoger beroep heeft appellant onder meer aangevoerd dat gedaagde
zichzelf in een moeilijke situatie heeft gemanoeuvreerd door zeer
aanzienlijke tijd genoegen te nemen met woonruimte die geen
huurbescherming bood en dat zij sedert haar indiensttreding op 1
augustus bij Cygnific BV voldoende tijd heeft gehad om passende
woonruimte in Amsterdam en omgeving te vinden.
Gedaagde heeft ter zitting aangevoerd dat het bericht dat zij het pand
waar zij in onderhuur woonde moest verlaten omdat het gesloopt werd voor
haar volstrekt onverwacht kwam en dat zij onmiddellijk alles in het werk
heeft gesteld om in Amsterdam en de bereisbare omgeving daarvan, met
name Almere, vervangende woonruimte te vinden. Voorts heeft zij
verklaard al twee jaar ingeschreven te staan bij een woningvereniging en
dat zij met haar werkgever had afgesproken dat haar ontslagname als niet
gedaan zou worden beschouwd als zij voor 1 april 2003 alsnog woonruimte
in Amsterdam of omgeving zou vinden.
Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar
oordeel over het bestreden besluit.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als
volgt.
Gelet op de in hoger beroep betrokken standpunten is tussen partijen
niet in geschil dat de werkloosheid van gedaagde die is ontstaan door
ontslag te nemen in verband met haar verhuizing van Amsterdam naar
[woonplaats] verwijtbaar is in de zin van artikel 24 van de WW. Het
hoger beroep is beperkt tot de vraag of deze werkloosheid gedaagde in
overwegende mate kan worden verweten.
Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van de Raad
heeft gedaagde het bericht dat zij haar woning per 1 april 2003 in
verband met sloop diende te verlaten niet kunnen zien aankomen. Zij
woonde daar al drie jaar in onderhuur hetgeen niet ongebruikelijk is in
een stad als Amsterdam. Voorts stond zij al twee jaar ingeschreven bij
een woningvereniging en is zij, nadat zij van de sloop van haar woning
in kennis was gesteld, onmiddellijk op zoek gegaan naar andere
woonruimte, zowel in Amsterdam als in de naaste omgeving, waarbij zij
beperkingen ondervond omdat zij op het openbaar vervoer was aangewezen
en bij haar werkgever in wisselende diensten werkte. Ook tijdelijk
onderdak bij vrienden of collega’s is niet mogelijk gebleken. Toen zij
eind februari 2003 nog geen uitzicht had op vervangende woonruimte heeft
zij haar baan tegen 1 april 2003 opgezegd en met haar werkgever
afgesproken dat deze opzegging als niet gedaan zou worden beschouwd als
zij nog voor 1 april 2003 in haar huisvesting in Amsterdam of omgeving
zou kunnen voorzien.
De Raad concludeert dat onder voormelde omstandigheden de werkloosheid
van gedaagde haar, gelet op de abrupte noodzaak om haar woonruimte, waar
zij jaren ongestoord heeft kunnen wonen, de moeilijke woningmarkt in
Amsterdam, haar aanzienlijke inspanningen om tijdig andere woonruimte te
krijgen en haar afspraken met haar werkgever over de mogelijke
voortzetting van haar dienstverband na 1 april 2003, niet in overwegende
mate kan worden verweten. Aan de omstandigheid dat gedaagde in onderhuur
woonde, kan de Raad vanuit een oogpunt van toepassing van de WW, alsmede
gelet op het geheel van de omstandigheden, niet die betekenis toekennen
die appellant daaraan gehecht wil zien. De grieven van appellant kunnen
derhalve niet slagen, zodat moet worden beslist als hieronder is
vermeld.
De Raad ziet geen termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de
Awb inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. J. Riphagen en mr.
R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2005.
(get.) H. Bolt.
(get.) L. Karssenberg.
|
|