|
Uitspraak
03/4619 WW en 04/4332 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemerverzekeringen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het
Lisv.
Appellant heeft op bij aanvullende beroepschriften aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen de op 12 augustus 2003 en op 7 juli 2004,
onder nrs. AWB 03/73 WW respectievelijk AWB 03/2921 WW door de rechtbank
’s-Gravenhage tussen partijen gewezen uitspraken, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.
Door appellant is op 9 januari 2004 nog een nadere schriftelijke
toelichting gegeven.
Gedaagde heeft bij brief van 16 juni 2005 vragen van de Raad beantwoord.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 22 juni 2005, alwaar
appellant in persoon is verschenen en namens gedaagde G.M. Folkers,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat de in deze gedingen aan de orde zijnde
geschillen worden beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en
de daarop berustende bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van
belang.
Voor een meer uitgebreide weergave van de van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de hiervoor genoemde uitspraken van
de rechtbank. Hier volstaat de Raad met het volgende.
Appellant is sedert een aantal jaren werkzaam als docent in het
cursorisch onderwijs, onder meer op de maandagavond en de
donderdagavond, bij de [naam onderwijs] BV, later de [naam onderwijs 2],
te ’s-Gravenhage (hierna de werkgever), zulks gedurende regelmatig
terugkerende perioden waarna hij telkenmale in de zomermaanden werkloos
werd. In verband hiermee zijn appellant in elk geval in juni 1997 en
juni 1998 deelrechten op WW-uitkeringen toegekend. Voor de periode
september 1999 tot juni 2000 is hij als docent administratie op de
maandagavond werkzaam geweest gedurende 96 klokuren. Na afloop van deze
periode heeft appellant per 5 juni 2000 uitkering krachtens de WW
aangevraagd. Gedaagde heeft deze aanvraag bij besluit van 7 september
2000 afgewezen onder toepassing van artikel 16, eerste en zevende lid,
van de WW in verbinding met artikel 4b van het Besluit van 18 december
1986, Stcrt. 1986, 248 (Regeling gelijkstelling niet gewerkte uren met
gewerkte uren, hierna het Besluit); zulks omdat appellant in een vast
cyclisch arbeidspatroon afwisselend wel en (in de zomerperioden) niet
werkzaam was. Daarbij heeft gedaagde geoordeeld dat in het
arbeidspatroon van appellant sprake is van een cyclus van 52 weken en
dat bij vergelijking van het aantal arbeidsuren gedurende welke
appellant in de cyclus (van 52 weken) voorafgaande aan diens
werkloosheid werkzaam was en het aantal arbeidsuren waarvan, volgens
mededeling van de werkgever, in de komende cyclus naar verwachting
sprake zou zijn, geconcludeerd moet worden dat er geen sprake is van een
relevant arbeidsurenverlies.
Het door appellant tegen het besluit van 7 september 2000 gemaakt
bezwaar is door gedaagde bij besluit van 18 december 2002 (hierna: het
bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.
Het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep is door de
rechtbank bij voormelde uitspraak, nr. AWB 03/73, ongegrond verklaard.
Terzake van de per eind mei 2001 aflopende avondcursus heeft appellant
per 4 juni 2001 WW-uitkering aangevraagd. Gedaagde heeft bij besluit van
22 oktober 2001 besloten dat appellant geen recht heeft op uitkering,
primair wederom onder toepassing van artikel 4b van het Besluit omdat
appellant werkzaam is volgens vaste cycli en er geen sprake van een
relevant arbeidsurenverlies per 4 juni 2001. Tevens heeft gedaagde
geconstateerd dat, nu ingevolge het vigerende beleid (ook bij afwijzing
op de zojuist genoemde grond) eerder toegekende deelrechten op uitkering
wel kunnen herleven, er ten aanzien van appellant per 1 juni 2000 een
deelrecht op uitkering is toegekend en nadien herleefd in de vorm van
een loongerelateerde uitkering omdat gedaagde er van uitging dat
appellant voldeed aan de zogenoemde vier uit vijfeis als bedoeld in
artikel 17, aanhef, en sub b, ten eerste, van de WW; naderhand heeft
gedaagde vastgesteld dat appellant over de kalenderjaren 1996 en 1998
niet voldeed aan de voorwaarde dat hij in de desbetreffende jaren over
52 dagen loon heeft ontvangen. Gedaagde heeft daarom besloten dit recht
-
bij gedaagde bekend onder nr. 001282 - per 24 september 2001 te beëindigen
(onder mededeling aan appellant dat niet tot terugvordering van de ten
onrechte ontvangen uitkering zou worden overgegaan). Het voorgaande
betekent dat niet het recht onder nr. 001282 had dienen te herleven, maar de deelrechten bij gedaagde
bekend onder de nrs. 001116 en 000835 welke bij elkaar 5 uur en 39
minuten bedragen; omdat appellant per 24 september 2001 als docent
wederom voor drie uur per week heeft hervat, dienen deze rechten per
deze datum beëindigd te worden nu per week een arbeidsurenverlies
resteert van minder dan vijf dan wel minder dan de helft van het
gemiddeld aantal arbeidsuren.
Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde
bij besluit van 12 juni 2003 (hierna: het bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.
Het door appellant tegen laatstvermeld besluit ingestelde beroep is door
de rechtbank ongegrond verklaard bij uitspraak met nr. AWB 03/2921.
Door appellant is - verkort weergegeven - in hoger beroep met name
gesteld dat zijn arbeid als seizoenmatige arbeid moet worden aangemerkt
en dat deze arbeid onder de uitzondering bedoeld in artikel 4b, zesde
lid, van het Besluit valt, dat sprake is van schending van het
rechtszekerheidsbeginsel, dat gedaagde ten onrechte heeft aangenomen dat
hij in het jaar 1998 niet over 52 dagen loon heeft ontvangen omdat de
zomerperiode van dat jaar moet worden aangemerkt als een tijdvak van
onbetaald verlof en dat gedaagde is uitgegaan van een onjuiste
berekening van de in juni 2001 alsnog herleefde rechten casu quo van het
verlies aan arbeidsuren per 24 september 2001.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad kan hetgeen door de rechtbank in de aangevallen uitspraken is
vastgesteld en overwogen in grote lijnen onderschrijven. Daaraan voegt
de Raad nog het volgende toe.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat ten aanzien van het werk
van appellant geen sprake van seizoenmatige arbeid, als bedoeld in
artikel 4b, zesde lid, eerste volzin, van het Besluit, zoals die
bepaling voor en na 1 maart 2001 luidde. Evenzeer is de Raad met de
rechtbank van oordeel dat gedaagde zich met recht op het standpunt heeft
gesteld dat de zomerperiode van 1998 niet als onbetaald verlof als
bedoeld in artikel 17b, zesde lid, van de WW kan worden aangemerkt, nu
het daarbij moet gaan om binnen een dienstverband vallende periode van
verlof en niet om de situatie dat werkgever en werknemer overeenkomen
het dienstverband elke zomerperiode te doen eindigen wegens het niet
aanbieden van cursussen. Nu appellant mede hierdoor niet voldeed aan de
vier-uit-vijfeis was gedaagde ingevolge de WW verplicht om tot
herziening van het desbetreffende besluit tot toekenning van een
deelrecht op WW-uitkering over te gaan.
De Raad merkt nog op dat het bij het arbeidsurenverlies bedoeld in
artikel 4b van het Besluit gaat om vergelijking van het aantal
arbeidsuren over twee perioden van 52 weken, terwijl bij de vaststelling
van de omvang van (eerder) toegekende rechten op uitkering de in artikel
16, tweede lid, van de WW aangegeven berekening aan de orde is.
Voor het overige heeft gedaagde in de bestreden besluiten 1 en 2 op
correcte wijze toepassing gegeven aan de wettelijke bepalingen omtrent
onder andere de berekening van de omvang, de herleving en de beëindiging
van het recht op uitkering, waarbij appellant, zo heeft de Raad op grond
van de gedingstukken kunnen constateren, niet tekort is gedaan.
Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraken voor bevestiging
in aanmerking komen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht omtrent de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gegeven door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en
mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van S. l'Ami als
griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2005.
(get.) H. Bolt.
(get.) S. l'Ami.
|
|