|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/5571 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank
Almelo op 25 augustus 2004 onder kenmerk 03/1150 tussen partijen gewezen
uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 22 september
2005, waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr. R.F. Kötter,
advocaat te Wierden. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr.
A. Ruis, werkzaam bij het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant is werkzaam geweest als inkoper bij Wehkamp. Na zijn ontslag
heeft appellant [naam BV] opgericht welke vennootschap de directie
voerde in de werkmaatschappij [naam werkmaatschappij] Appellant was
directeur en enig aandeelhouder van [naam BV].
In verband met zijn ontslag bij Wehkamp heeft appellant een uitkering
ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW) aangevraagd welke hem met
ingang van 3 april 1995 is toegekend. Appellant heeft zich per 19 maart
2001 vanuit de WW ziek gemeld naar aanleiding waarvan gedaagde de
verzekeringsplicht van appellant heeft onderzocht. Uit dit onderzoek is
gebleken dat appellant geen recht had op een WW-uitkering per 3 april
1995 omdat hij per 1 april 1995 zelfstandig ondernemer was en geen
werknemer in de zin van artikel 3 van de WW.
Bij besluit van 14 november 2003 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellant tegen het besluit van 31 oktober 2002, waarin hem
is medegedeeld dat hij met ingang van 3 april 1995 geen recht had op een
uitkering ingevolge de WW, aangezien hij per 1 april 1995 zelfstandig
ondernemer was en geen werknemer in de zin van de WW.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond overwegende dat appellant
niet aannemelijk heeft kunnen maken dat de opgave op de eigen verklaring
van het aantal uur dat appellant als zelfstandige werkzaam is geweest
een onjuist beeld van de werkelijkheid geeft, hetgeen impliceert dat
gedaagde een onderzoek naar de aard en omvang van deze werkzaamheden
achterwege heeft kunnen laten. Voorts ziet de rechtbank in het rapport
van 30 juni 2004 van verzekeringsarts H.E. Groenewegen geen aanleiding
een medisch onderzoek te entameren naar de gezondheidstoestand van
appellant sedert april 1995.
Appellant kan zich hier niet mee verenigen en meent dat de rechtbank ten
onrechte zeer veel gewicht heeft toegekend aan de eigen verklaring in
welke appellant aangeeft dat hij als zelfstandig ondernemer 50 uur per
week heeft gewerkt. Appellant was dermate psychisch in de war dat hij
objectief bezien niet in staat was om 50 uur per week te werken. Naar de
mening van appellant heeft de rechtbank te weinig gewicht toegekend aan
de medische verklaringen omtrent zijn psychische en fysieke toestand.
Daarnaast is aangevoerd dat de rol van de dochter van appellant
onderbelicht is gebleven. Van 1 januari 1996 tot 1 juni 2000 verrichtte zij alle werkzaamheden in de
vennootschap, terwijl appellant uitsluitend fungeerde als geldschieter.
De Raad kan appellant niet volgen in zijn betoog. Ingevolge artikel 3
van de WW is werknemer in de zin van de WW de natuurlijke persoon,
jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke dienstbetrekking staat.
Artikel 8, eerste lid, van de WW bepaalt dat een persoon wiens
dienstbetrekking is beëindigd, de hoedanigheid van werknemer behoudt,
voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op
grond van de WW niet als werknemer wordt beschouwd. Dit laatste is nu
juist in de situatie van appellant wel het geval. Met de rechtbank is de
Raad van oordeel dat uit de stukken genoegzaam blijkt van werkzaamheden
van appellant als zelfstandig ondernemer. Ingevolge artikel 8, tweede
lid, van de WW kan een werknemer die werkzaamheden heeft verricht in de
uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een
beroep het werknemerschap herkrijgen, zulks indien die werkzaamheden
zijn beëindigd binnen anderhalf jaar nadat zij een aanvang hebben
genomen. Naar het oordeel van de Raad staat voldoende vast dat de
werkzaamheden waardoor appellant zijn hoedanigheid van werknemer in de
zin van de WW heeft verloren, langer hebben geduurd dan anderhalf jaar.
Derhalve heeft appellant op grond van deze bepaling niet zijn
werknemerschap herkregen.
Met betrekking tot het door appellant geschetste beeld dat zijn dochter
het bedrijf uiteindelijk over zou nemen en hij uitsluitend fungeerde als
financier merkt de Raad op dat uit de stukken slechts blijkt dat de
dochter van appellant sedert 1 januari 1996 voor 20 uur per week als
administratief medewerkster werkzaam was in dienst van [naam
werkmaatschappij] Voorts strookt de op 8 augustus 2000 door appellant
gedane ontslagaanvraag van zijn dochter wegens bedrijfseconomische reden
niet met het hierboven geschetste beeld.
In hoger beroep heeft appellant een beroep gedaan op jurisprudentie van
de Raad bekend onder LJN AF8580 en AR4421. Onder verwijzing naar met
name het Rapport werknemersfraude van 26 juli 2002, met bijlagen, kan
naar het oordeel van de Raad niet staande worden gehouden dat gedaagde
zorgvuldig onderzoek achterwege heeft gelaten dan wel dat uitgegaan
dient te worden van gemiddeld een beduidend lager aantal gewerkte uren
per week. Tot slot ziet ook de Raad in de aanwezige medische
verklaringen onvoldoende aanknopingspunten om zelf een medisch onderzoek
te entameren naar de psychische en fysieke gezondheidstoestand van
appellant sedert april 1995.
Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet kan
slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking
komt.
De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2005.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|