|
Uitspraak
04/1882 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. W.H. Beishuizen, werkzaam bij de Stichting
Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda
onder nummer 03/690 WW op 4 maart 2004 tussen partijen gewezen
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft op dit verweerschrift gereageerd.
Desgevraagd heeft appellant nog een aantal stukken ingebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van 24 augustus 2005, waar appellant
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Beishuizen, en waar
gedaagde, met bericht, niet is verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Appellant, geboren in 1947, is op 1 februari 1976 in dienst getreden bij
(een rechtsvoorganger van) Interpolis N.V. (hierna: de werkgever). Hij
was daar laatstelijk werkzaam als [naam functie]. De werkgever heeft in
de loop van de tweede helft van 2001 een onderzoek laten instellen naar
het declaratiegedrag van appellant. De resultaten van dat onderzoek
leidden er toe dat appellant op 12 december 2001 voorlopig werd
geschorst. Die schorsing is later omgezet in een vrijstelling van het
verrichten van werkzaamheden. Op 11 februari 2002 is door het Bureau
Speciale Zaken van de werkgever het definitieve onderzoeksrapport
vastgesteld. Naar aanleiding van de bevindingen en conclusies uit dat
rapport heeft de werkgever zich op 6 juni 2002 tot de kantonrechter
gewend met het verzoek de arbeidsovereenkomst met appellant te
ontbinden. Nadat appellant daartegen verweer heeft gevoerd, heeft de
kantonrechter bij beschikking van 23 juli 2002 de arbeidsovereenkomst
per 1 oktober 2002 ontbonden, onder toekenning van een vergoeding van
€ 130.000,-- ten laste van de werkgever.
Appellant heeft op 18 september 2002 een WW-uitkering aangevraagd.
Bij besluit van 11 oktober 2002 heeft gedaagde deze uitkering geweigerd
omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Volgens gedaagde heeft
appellant zich zo gedragen dat hij kon of behoorde te weten dat ontslag
zou volgen. Dat gedrag van appellant bestond er uit dat hij niet op een
juiste en volledige wijze zijn declaraties heeft ingediend.
De daartegen gerichte bezwaren heeft gedaagde bij het thans bestreden
besluit van 21 februari 2003 ongegrond verklaard. In aanvulling op hetgeen gedaagde
reeds had overwogen heeft gedaagde gesteld dat appellant reeds twee maal
op zijn declaratiegedrag was aangesproken. Gedaagde heeft zich voorts
aangesloten bij het oordeel van de kantonrechter dat de werkgever, door
appellant naar aanleiding van de uit het onderzoek verkregen
(voorlopige) inlichtingen aanstonds te schorsen zonder hem de
bevindingen uit dat onderzoek ter hand te stellen laat staan hem de
gelegenheid te geven tot een weerwoord terwijl over het handelen van
appellant onderwijl wel binnen de organisatie werd gecommuniceerd, heeft
gehandeld op een wijze die gegeven de omstandigheden de
redelijkheidstoets niet kan doorstaan. Daar staat echter tegenover dat
appellant in zijn wijze van declareren en registreren de grenzen te ruim
heeft getrokken. Appellant heeft volgens gedaagde onvoldoende
opheldering kunnen verschaffen over een aantal ongeregeldheden. Daarbij
wijst gedaagde er op dat de werkgever moet kunnen vertrouwen op een
juiste en volledige opgave en registratie.
De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft, met gedaagde, overwogen dat uit de stukken afdoende
is gebleken dat de declaraties van appellant niet steeds in
overeenstemming waren met het beleid van de werkgever en dat er het
nodige schortte aan de wijze waarop appellant zijn kilometers en
onkosten declareerde.
Appellant heeft, samengevat, betoogd dat het onderzoek onvoldoende
zorgvuldig is geweest. Appellant heeft voorts betwist dat in de in de
aangevallen uitspraak aangehaalde voorbeelden op een onjuiste manier zou
zijn gedeclareerd. Daarbij wijst appellant er op dat het
declaratiesysteem bij de werkgever onnauwkeurig en onvoldoende
uitgewerkt was en hij heeft in dat verband betoogd dat het declareren
van de werkelijk gereden kilometers veelal tot afwijkingen van het
systeem noopte. Ten aanzien van de incidenten uit het verleden wijst
appellant er op dat de werkgever de uitleg van appellant accepteerde
zodat appellant er op mocht vertrouwen dat hij op een juiste wijze
declareerde. Tenslotte heeft appellant aangevoerd dat hij een zeer lang
en onberispelijk dienstverband heeft, zijn werkgever niet heeft
benadeeld en dat hij en zijn collega’s altijd op die manier
declareerden en dat de werkgever zich nooit heeft gehouden aan het eigen
beleid.
De Raad overweegt als volgt.
Met appellant is de Raad van oordeel dat het onderzoeksrapport
onvoldoende basis biedt om de conclusie te trekken dat door de wijze van
declareren het einde van het dienstverband voorzienbaar was. Allereerst
wijst de Raad er op dat de twee incidenten uit het verleden waarbij
appellant is aangesproken op zijn declaraties, na een uitleg door
appellant welke voor de werkgever bevredigend was, tot een oplossing
zijn gebracht. Appellant kon uit die incidenten, die zich niet
toespitsten op gereden kilometers maar op het declareren van tol- en
veergelden dan ook niet afleiden dat de werkgever een andere of
specifiekere wijze van declareren noodzakelijk achtte. De Raad stelt
voorts vast dat de werkgever tot de invoering van het registratiesysteem
genaamd Daisy niet handelde overeenkomstig de door hem opgestelde regels
en dat er tot die tijd niet werd gecontroleerd, noch opmerkingen werden
gemaakt over de wijze van declareren. Onweersproken is voorts dat Daisy
een systeem was met een beperkte nauwkeurigheid. Appellant heeft
aangetoond dat dit systeem, ten tijde in geding, onvoldoende ruimte liet
voor het invullen van extra afgelegde kilometers, bijvoorbeeld ter
ontwijking van files of wegafsluitingen of ten behoeve van ingelaste
werkbezoeken onderweg. De Raad concludeert dan ook dat aannemelijk is
dat uit de beperkte nauwkeurigheid van het systeem in ieder geval een
deel van de onduidelijkheden ten aanzien van de declaraties van
appellant kan worden verklaard. De Raad wijst er voorts op dat appellant
ten aanzien van de meerdere malen aangehaalde reis van 22 november 2001
de 145 kilometer die ten gevolge van het gebruik van het Daisy-systeem
teveel is gedeclareerd, op het daartoe geëigende moment weer in
mindering heeft gebracht. Van benadeling van de werkgever is derhalve
geen sprake geweest. De Raad onderschrijft de bevindingen uit het
onderzoeksrapport dat appellant in een bepaalde periode onevenredig veel
bij zijn garage is geweest. De werkgever heeft echter in de rapportage
van 11 februari 2002 niet duidelijk kunnen maken om welke reden hierdoor
het vertrouwen in appellant verloren ging. Tevens concludeert de Raad
dat er, ondanks de uitleg en toelichting zijdens appellant, vragen
blijven bestaan ten aanzien van het aantal gedeclareerde kilometers. Dit
aantal kilometers is echter niet zo groot dat appellant daaruit had
moeten afleiden dat zijn werkgever, zeker gelet op diens houding in de
voorgaande jaren, het vertrouwen in hem zou verliezen.
Het hoger beroep slaagt derhalve. De aangevallen uitspraak en het
bestreden besluit komen voor vernietiging in aanmerking. Gedaagde zal
met inachtneming van het voorgaande een nieuw besluit op de bezwaren van
appellant moeten nemen. Daarbij zal gedaagde zich tevens dienen uit te
laten over de vergoeding van de door appellant geleden schade.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die appellant
heeft moeten maken voor het voeren van dit geding, welke kosten worden
bepaald op € 644,-- voor rechtsbijstand in eerste aanleg en € 644,--
in hoger beroep, totaal derhalve € 1288,--.
Beslist dient derhalve te worden als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Draagt gedaagde op een nieuw besluit op de bezwaren van appellant te
nemen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten tot een bedrag van € 1288,--,
te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door
appellant betaalde griffierecht van € 31,-- in eerste aanleg en van
€ 102,-- in hoger beroep vergoedt.
Aldus gegeven door mr. C.P.J. Goorden, voorzitter en mr. H.G. Rottier en
mr. B.M. van Dun, leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2005.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) L. Karssenberg.
|
|