|
Uitspraak
04/170 WW en 04/172 WW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
1. de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, en
2. het Academisch Ziekenhuis Maastricht, te Maastricht, appellanten,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Door appellanten is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Arnhem van
respectievelijk 18 december 2003 (nummer AWB 03/81, uitspraak 1) en 30
december 2003 (nummer AWB 03/80, uitspraak 2 ), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Door gedaagde is een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van 21 september 2005, waar
appellanten zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. C. van den
Berg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv),
en waar gedaagde in persoon is verschenen.
II. MOTIVERING
De in deze gedingen aan de orde zijnde geschillen worden beoordeeld aan
de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen
alsmede de Regeling Bovenwettelijke Werkloosheidsuitkering Academische
Ziekenhuizen (RBWAZ), zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
De Raad overweegt het volgende.
Gedaagde is tot 31 augustus 2001 werkzaam geweest bij het Academisch
Ziekenhuis Maastricht als internist intensivist (intensive care). Hem
zijn bij besluiten van 1 juli 2002 met ingang van 3 september 2001 een
WW-uitkering en een bovenwettelijke (BW)-uitkering conform de RBWAZ
toegekend, gebaseerd op een arbeidsurenverlies van 29 uur en 51 minuten per week.
Het door gedaagde met betrekking tot de periode van 5 augustus 2002 tot
en met 1 september 2002 ingevulde formulier Verslag werk en inkomen,
waarop is vermeld dat in die periode bij twee werkgevers is
gesolliciteerd, is voor het Uwv aanleiding geweest om te oordelen dat
gedaagde in deze periode in onvoldoende mate heeft getracht passende
arbeid te verkrijgen als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en
onder b ten eerste, van de WW. Dit heeft geleid tot afgifte van de
besluiten van 1 oktober 2002 tot oplegging van de maatregel van
tijdelijke gedeeltelijke weigering van de hem toegekende WW-uitkering,
respectievelijk BW-uitkering, te weten 20% gedurende 16 weken met ingang
van 2 september 2002.
Bij de bestreden besluiten van 11 december 2002 is het bezwaar van
gedaagde tegen de besluiten van 1 oktober 2002 ongegrond verklaard. Wel
is de in die besluiten opgelegde maatregel verlaagd naar 10% gedurende
16 weken met ingang van 2 september 2002, op de grond dat er sprake is
van verminderde verwijtbaarheid in de zin van artikel 27, vierde lid,
van de WW.
De rechtbank heeft overwogen dat gedaagde in de in geding zijnde periode
in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verwerven als
bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de
WW. Enerzijds omdat gedaagde niet vier, maar drie concrete
sollicitatieactiviteiten heeft verricht, en aldus niet heeft voldaan aan
de op grond van het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW geldende
norm. Anderzijds omdat hij bij het door hem gestelde ontbreken van
voldoende passende functies op zijn opleidingsniveau niet heeft gezocht
naar functies op een lager niveau en functies buiten zijn eigen
vakgebied, waartoe hij ten tijde in geding was gehouden, gelet op het
Besluit passende arbeid schoolverlaters en academici. De rechtbank heeft
voorts geoordeeld dat appellanten gedurende bijna een half jaar hebben
gedoogd dat gedaagde zich bij het zoeken naar werk te beperkt heeft
opgesteld als hiervoor bedoeld en dat appellanten gedaagde, mede gelet
zijn specifieke achtergrond, hadden moeten waarschuwen alvorens tot
oplegging van een maatregel over te gaan. De rechtbank is van oordeel
dat nu een dergelijke waarschuwing is uitgebleven elke vorm van
verwijtbaarheid ontbreekt en dat appellanten ingevolge artikel 27,
vierde lid, van de WW van het opleggen van een maatregel hadden moeten
afzien. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraken - uitspraak 2,
betrekking hebbend op de bovenwettelijke uitkering, deelt het lot van
uitspraak 1 - de beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten én
de primaire besluiten vernietigd, zulks met beslissingen over de
proceskosten en het griffierecht.
Het door appellanten ingestelde hoger beroep richt zich tegen het
oordeel van de rechtbank dat zij van het opleggen van een maatregel
hadden moeten afzien. Zij stellen dat er hooguit sprake is geweest van
onvoldoende controle op de nakoming van de sollicitatieplicht door
gedaagde, ontkennen dat er sprake is geweest van het gedogen van
onvoldoende sollicitatieactiviteiten, en wijzen er op dat als dit wel
het geval zou zijn geweest, dit volgens vaste rechtspraak hooguit kan
leiden tot het aannemen van verminderde verwijtbaarheid en het daarop
afstemmen van de op te leggen maatregel, zoals in de bestreden besluiten
is geschied. Ter zitting van de Raad is door appellanten nog aangevoerd
dat het geval van gedaagde niet valt binnen de in artikel 27, vijfde
lid, van de WW en de in het Besluit waarschuwing limitatief opgesomde
situaties waarin, in plaats van het opleggen van een maatregel, kan
worden volstaan met het geven van een waarschuwing.
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat hij in de in geding zijnde
periode heeft voldaan aan de sollicitatieplicht. Het onderhavige geschil
is volgens hem het gevolg van het feit dat hij onbekend was met de wijze
waarop hij het in geding zijnde formulier Verslag werk en inkomen moest
invullen. Zo heeft hij het formulier geretourneerd voordat de periode
waarop dat betrekking heeft was verstreken, zodat hij geen melding heeft
kunnen maken van een derde, in die periode door hem verrichte
sollicitatie. Ook heeft hij geen melding gemaakt van de
vervolggesprekken die hij heeft gehad in het kader van de wel vermelde
sollicitaties. Verder is hij van mening dat hij zich zo ruim als
mogelijk is, heeft opgesteld in het zoeken naar passende functies. Hij
stelt als internist intensivist zodanig gespecialiseerd te zijn, dat de
functie van internist, waarnaar hij heeft gesolliciteerd al onder zijn
opleidingsniveau is. Ter zitting van de Raad heeft hij betoogd dat er
geen functies zijn op het niveau van hoger beroepsonderwijs (HBO) waarop
hij met enige kans van slagen zou kunnen reageren, ofwel omdat hij
daarvoor niet is gekwalificeerd (bijvoorbeeld voor de functie van
verpleegkundige), ofwel omdat hij te hoog is opgeleid.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gedaagde in de in geding
zijnde periode in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te
verkrijgen en aldus de verplichting van artikel 24, eerste lid, aanhef
en onderdeel b ten eerste, van de WW niet is nagekomen. De stellingen
die gedaagde dienaangaande in hoger beroep heeft opgeworpen verschillen
in de kern niet van die welke hij in eerste aanleg heeft aangevoerd. Die
stellingen heeft de rechtbank terecht verworpen. De Raad verwijst
kortheidshalve naar hetgeen daarover in de aangevallen uitspraak is
overwogen.
Hetgeen door gedaagde ter zitting is aangevoerd heeft niet kunnen leiden
tot een ander oordeel van de Raad. Het is de Raad gebleken dat gedaagde
voorafgaand aan de thans in geding zijnde periode bekend was met de
gehoudenheid om ten minste één concrete sollicitatieactiviteit per
week te verrichten. Gedaagde heeft naar het oordeel van de Raad niet
aannemelijk gemaakt dat hij in de in geding zijnde periode in iedere
week tenminste één concrete sollicitatie heeft verricht. Ook kan de
Raad gedaagde niet volgen in zijn standpunt dat hij geen functies
beneden zijn opleidingsniveau, anders dan de functie van internist, zou
kunnen verkrijgen. Gezien de duur van de werkloosheid diende gedaagde
zich ruimer op te stellen. Ook functies die niet strikt op het gebied
van de praktische uitoefening van medische beroepen behoren, komen in
aanmerking.
Voor het oordeel dat het niet nakomen door gedaagde van voormelde
verplichting in het geheel niet verwijtbaar is te achten ziet de Raad,
anders dan de rechtbank, geen grond.
De Raad is van oordeel dat appellanten op grond van het bepaalde in
artikel 27, derde lid, van de WW, respectievelijk RBWAZ, gehouden waren
een maatregel op te leggen. Uit artikel 6, eerste lid, van het
Maatregelenbesluit Tica, volgt dat in een geval als het onderhavige een
korting moet worden opgelegd van 20% gedurende 16 weken, tenzij het
tweede lid van artikel 6 van dat Maatregelenbesluit van toepassing moet
worden geacht, in welk geval bij verminderde verwijtbaarheid de hoogte
van die maatregel 10 % bedraagt. De Raad is van oordeel dat gedaagde
niet tekort is gedaan doordat op zijn uitkering de laatstbedoelde
maatregel is toegepast. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de in
artikel 24, eerste lid, onder b, van de WW neergelegde verplichting
geldt onafhankelijk van de vraag of appellant al of niet controleert op
de nakoming daarvan. De Raad ziet uit de omstandigheden van het
onderhavige geval geen rechtsplicht voor appellanten voortvloeien om
gedaagde eerst te waarschuwen alvorens over te gaan tot het toepassen
van een maatregel als hier in geding.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraken moeten worden
vernietigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraken;
Verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. C.P.J.
Goorden en mr. R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van J.P.
Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2005.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) J.P. Grauss.
|
|