|
Uitspraak
04/1196 WW en 04/1197 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde 1,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haaren,
gedaagde 2.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. R.P. Gasseling, advocaat te Rotterdam, op
bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen een door de rechtbank Groningen op 21 januari 2004 gewezen
uitspraak, reg.nr. 03/601 WW en 03/979 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde 1 heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 september 2005, waar
appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Gasseling
voornoemd, en waar gedaagden zich hebben laten vertegenwoordigen door
mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Appellante was gedurende de periode van 1 december 1999 tot 1 mei 2002
werkzaam als bestuurssecretaresse bij de gemeente [naam gemeente]
(hierna: de werkgever). Bij brief van 25 februari 2002 heeft het college
van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente] aan
appellante meegedeeld dat aan haar overeenkomstig haar verzoek per 1 mei
2002 eervol ontslag wordt verleend. Appellante heeft op 6 mei 2002 een
aanvraag om een WW-uitkering ingediend.
Bij besluit van 27 september 2002 heeft gedaagde 1 aan appellante
meegedeeld dat de uitkering met ingang van 1 mei 2002 blijvend geheel
wordt geweigerd op de grond dat appellante ontslag heeft genomen,
terwijl redelijkerwijs van haar verwacht kon worden dat zij was blijven
werken. De door appellante aangevoerde reden dat het ontslag gebaseerd
was op een reorganisatie, levert naar de mening van gedaagde 1 uit het
oogpunt van werkloosheidsverzekering onvoldoende bezwaar op. Bij besluit
van gelijke datum heeft gedaagde 2 om die reden eveneens de zogenoemde
bovenwettelijke uitkering blijvend geheel geweigerd. Appellante heeft
tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.
Bij besluiten van 21 mei 2003 zijn die besluiten gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de
weigering van de bovenwettelijke uitkering niet-ontvankelijk verklaard
en het beroep tegen de blijvend gehele weigering van de WW-uitkering
ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het beroep tegen
de weigering van de bovenwettelijke uitkering niet binnen de in de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven termijn is ingediend nu
eerst in de conclusie van de nadere gronden welke op 18 juli 2003, na
het einde van de beroepstermijn op 2 juli 2003 zijn ingediend, is
gebleken dat het beroep zich tevens richtte tegen de weigering van de
bovenwettelijke uitkering. Bovendien is dit besluit niet, ook niet op
een later moment, overgelegd. Het bestaan van de intentie het
beroepschrift ook te richten tegen de weigering van de bovenwettelijke
uitkering, zoals appellante heeft gesteld, is geen grond waarop
redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat zij niet in verzuim is geweest,
aldus de rechtbank. Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet is
gebleken dat sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie noch dat
appellante boventallig zou worden na de heroriëntatie op de
gemeentelijke organisatie, hetgeen haar ook bekend was. Indien de inhoud
van het ontslagbesluit niet in overeenstemming zou zijn met de
afspraken, had het op de weg van appellante gelegen dit bij de werkgever
aan te geven en het ontslagbesluit zo nodig aan te vechten bij de
ambtenarenrechter. Nu appellante dit niet heeft gedaan en haar visie op
de omstandigheden van het ontslag niet met feitelijke gegevens heeft
onderbouwd, heeft gedaagde 1 op goede gronden de WW-uitkering blijvend
geheel geweigerd.
In hoger beroep heeft appellante - samengevat - aangevoerd dat een
redelijke uitleg van het beroepschrift meebrengt dat het beroep mede
gericht was tegen de weigering van de bovenwettelijke uitkering.
Appellante heeft erkend dat zij een schriftelijke overeenkomst heeft
gesloten met haar werkgever terzake van haar ontslag. Zij heeft dit
gedaan, zo heeft zij gesteld, in verband met een verstoorde verhouding
met haar werkgever. Appellante verwijst daarvoor naar de brief van 9
april 2003 van het college van burgemeester en wethouders, waarin het
conflict dat zij had met de gemeentesecretaris, wordt bevestigd. Dit
conflict is zodanig geëscaleerd dat appellante niet langer in haar
functie te handhaven was en in de ogen van burgemeester en wethouders
niet kon terugkeren in haar functie. Na de heroriëntatie op de
gemeentelijke organisatie zou er bovendien geen andere geschikte functie
voor appellante zijn, zodat het einde van haar aanstelling onafwendbaar
was. De werkgever heeft het initiatief genomen en uiteindelijk de
einddatum bepaald. Appellante valt terzake van de verstoorde
arbeidsverhouding geen verwijt te maken. De functie van appellante is
komen te vervallen, althans door iemand anders overgenomen. Appellante
verwijst daarvoor naar het overgelegde organogram. Appellante meent
derhalve niet verwijtbaar werkloos te zijn geworden.
De Raad overweegt als volgt.
In geding is vooreerst de vraag aan de orde of de rechtbank terecht het
beroep tegen de weigering van de bovenwettelijke uitkering wegens
termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De Raad stelt vast dat appellante afzonderlijke besluiten heeft
ontvangen terzake van het recht op WW-uitkering en de bovenwettelijke
uitkering. In beide besluiten staat een juiste rechtsmiddelenverwijzing.
Bij brief van 30 juni 2003 heeft de toenmalige gemachtigde, mr. V.Ch.
Swane, onder vermelding “beroep afwijzing WW UWV USZO”, beroep
ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van gedaagde inzake de
WW-uitkering. Appellante heeft daarbij slechts dit besluit overgelegd.
Uit de inhoud van dit beroepschrift kan de Raad, anders dan appellante,
niet afleiden dat het beroep tevens ziet op de weigering van de
bovenwettelijke uitkering. Eerst bij aanvullend beroepschrift, dat
buiten de beroepstermijn bij de rechtbank is binnengekomen, heeft
appellante meegedeeld dat het beroep ook ziet op de weigering van de
bovenwettelijke uitkering. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat
dit beroep niet tijdig is ingesteld. Hetgeen appellante daartoe heeft
aangevoerd is geen reden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te
achten. De rechtbank heeft dan ook terecht het beroep tegen de weigering
van de bovenwettelijke uitkering niet-ontvankelijk verklaard.
Voorts is de vraag aan de orde of de rechtbank terecht het standpunt van
gedaagde heeft onderschreven dat appellante verwijtbaar werkloos is
geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in
verbinding met het tweede lid, aanhef en onder b, van de WW en of in
verband hiermee de uitkering terecht blijvend geheel is geweigerd.
Niet in geding is dat appellante met haar werkgever terzake van haar
ontslag een schriftelijke overeenkomst heeft gesloten. Aan appellante is
blijkens het ontslagbesluit op grond van artikel 8.1 van de Collectieve
Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) op haar
verzoek eervol ontslag verleend. Appellante heeft daarmee zelf het einde
van haar dienstverband bewerkstelligd, hetgeen betekent dat appellante
verwijtbaar werkloos is geworden, tenzij redelijkerwijs niet van haar
kon worden gevergd om de dienstbetrekking voort te zetten.
De Raad is op grond van de overgelegde stukken van oordeel dat daarvan
niet is gebleken. Het feit dat appellante een conflict had met de
gemeentesecretaris is daartoe onvoldoende, nu over de aard en de inhoud
daarvan niets naders is komen vast te staan. Derhalve komt de Raad tot
het oordeel dat van appellante uit het oogpunt van de WW verwacht had
mogen worden dat zij was blijven werken. Appellante was immers in vaste
dienst bij de gemeente [naam gemeente] en blijkens het in geding
gebrachte organogram zou de functie van bestuurssecretaresse ook na de
heroriëntatie terugkeren.
Appellante had het initiatief tot het beëindigen van haar dienstverband
dan ook bij haar werkgever moeten laten. Door zelf actief mee te werken
aan de beëindiging van haar dienstverband, terwijl niet is gebleken
voorzetting van het dienstverband niet van haar gevergd kon worden, is
zij verwijtbaar werkloos geworden. Gedaagde 1 heeft dan ook terecht de
WW-uitkering per 1 mei 2002 blijvend geheel geweigerd, nu van
verminderde verwijtbaarheid niet is gebleken.
De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb
acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H.G. Rottier als voorzitter en mr. B.M. van Dun
en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2005.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) P. Boer.
|
|