|
Uitspraak
04/1839 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. F.I Piternella, advocaat te Dongen, op bij
beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door
de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) op
29 januari 2004, nrs. 03/2713 WW VV en 03/2469 WW, tussen partijen gewezen uitspraak
(hierna: de aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij brief van 2 april 2004 is namens appellant verzocht om het treffen
van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij uitspraak van
2 juni 2004, nr. 04/2192 WW-VV, is dit verzoek door de
voorzieningenrechter van de Raad afgewezen.
Namens appellant is bij schrijven van 16 juli 2004 met bijlagen nog een
nadere uiteenzetting gegeven.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 17 augustus 2005, waar appellant
in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn bovengenoemde
gemachtigde, en waar gedaagde, met voorafgaand bericht, niet is
verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop op het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden
verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad
met het volgende.
Appellant was per 15 augustus 1994 in dienst van [naam B.V.], gevestigd
te [vestigingsplaats], h.o.d.n. [naam werkgever] (hierna: de werkgever), laatstelijk als controller, in
welke functie hij leiding gaf aan de afdeling Financiën. De werkgever
is onderdeel van de [naam Groep], waartoe ook een aantal andere
vennootschappen behoren. Hoewel appellant en zijn afdeling aanvankelijk
alleen voor de werkgever werkzaam waren, zijn zij gaandeweg voor alle,
althans de meeste vennootschappen behorend tot de [naam Groep] gaan
werken. In de loop van het jaar 2000 is bij de [naam Groep] het plan
ontstaan, naderhand overgenomen door de werkgever, om appellant en zijn
afdeling te doen verhuizen van de locatie waar de werkgever was
gevestigd, een pand aan de [adres], naar een vier kilometer verderop
gelegen pand aan het [adres], waar de overige tot de [naam Groep]
behorende vennootschappen gevestigd waren. Appellant heeft zich van het
begin af aan tegen dit plan verzet en meerdere malen geweigerd aan de
verhuizing mee te werken. Nadat ook herhaald overleg niet tot een
oplossing had geleid, is in april 2003 door de werkgever besloten dat de
verhuizing per 12 mei 2003 zou plaatsvinden zij het met een
overgangsperiode welke liep tot september 2003. Toen appellant volgens
de werkgever ook nadien bleef weigeren aan de verhuizing mee te werken,
heeft de werkgever bij de kantonrechter te Breda een verzoek tot
ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend, primair wegens
dringende redenen, subsidiair wegens verandering van omstandigheden.
Bij beschikking van 8 juli 2003 heeft de kantonrechter de
arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden per 16 juli 2003, onder
toekenning van een vergoeding ten laste van de werkgever van €
30.000,--. Daartoe heeft de kantonrechter, verkort weergegeven,
overwogen dat het verhuisplan wellicht in enige mate samenhing met de
verstoord geraakte relatie tussen appellant en directeur [naam
directeur], maar dat deze verhuizing in dit licht gezien ook een
voordeel voor appellant zou hebben omdat hij dan minder direct met
voornoemde directeur te maken kreeg. De werkgever heeft bovendien als
bedrijfsbelang aangegeven dat het meer zinvol en efficiënt zou zijn om
de afdeling Financiën in de hoofdvestiging te plaatsen waar de meeste
vennootschappen van de groep gevestigd waren, dit mede omdat enkele van
deze vennootschappen extra financiële ondersteuning nodig hadden.
Daartegenover heeft appellant, aldus de kantonrechter, geen enkel
(zwaarwegend) belang naar voren gebracht, waarbij mede weegt dat het
hier om een verplaatsing van nog geen vier kilometer ging. Weliswaar
heeft appellant aangevoerd dat zijn rechtspositie zou verslechteren -
hij zou bij verhuizing binnen de [naam Groep] worden geplaatst -, maar
niet is gebleken dat de werkgever van plan was tot een relevante
wijziging van appellants rechtspositie over te gaan. Het plan om te
verhuizen berust derhalve op een redelijke grond. Van appellant had,
mede gezien zijn positie als hoofd van de afdeling Financiën, een meer
loyale houding tegenover de werkgever verwacht mogen worden. Nu gelet op
de weinig coöperatieve houding van appellant de werkgever het
vertrouwen in hem heeft verloren, moet, aldus de kantonrechter, tot
ontbinding worden besloten waarbij de toe te kennen vergoeding in
verband met die houding lager moet worden gesteld dan de factor C=1. Bij
vonnis in kort geding van 8 juli 2003 heeft de kantonrechter de
vordering van appellant en drie collega’s om bij wege van voorziening
Interselling te gelasten de verhuisopdracht in te trekken,
niet-ontvankelijk verklaard.
Bij besluit van 14 augustus 2003 heeft gedaagde in verband met het
bepaalde in artikel 16, derde lid, van de WW de eerste werkloosheidsdag
van appellant bepaald op 1 september 2003. Bij besluit van 17 september
2003 heeft gedaagde aan appellant bericht dat is besloten tot een
blijvende gehele weigering van WW-uitkering per 1 september 2003, omdat
hij verwijtbaar werkloos wordt geacht in verband met diens weigering mee
te werken aan de vorenbedoelde verhuizing. Verminderde verwijtbaarheid
acht gedaagde niet aanwezig.
Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij
besluit van 12 november 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond
verklaard. Daarbij heeft gedaagde voornamelijk de overwegingen van de
kantonrechter gevolgd.
Namens appellant is beroep ingesteld tegen dit besluit. Tevens is de
voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige
voorziening te treffen. Appellant heeft onder meer aangevoerd dat de
werkgever geen redenen van bedrijfsbelang voor de verhuizing had en dat
hij nimmer met zoveel woorden heeft geweigerd om aan de verhuizing mee
te werken, maar steeds desgevraagd heeft gezegd dat eerst het oordeel
van de rechter over de rechtmatigheid ervan moest worden afgewacht.
Tevens heeft hij gesteld dat uit de beschikking van de kantonrechter
blijkt dat hij niet verwijtbaar werkloos is geworden, met name nu aan
hem een vergoeding ten laste van de werkgever is toegekend.
De rechtbank heeft onder toepassing van artikel 8:86 van de Awb het
verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en het beroep ongegrond
verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaren van
appellant niet van dien aard zijn dat zij moeten leiden tot het oordeel
dat de wens van de werkgever met betrekking tot de verhuizing op
onvoldoende gronden berustte. Dit met name ook omdat niet is gebleken
dat de rechtspositie van appellant er wezenlijk door zou worden
aangetast. Van appellant had - uiteindelijk - een meer constructieve
houding mogen worden verwacht. Hij had kunnen voorzien dat een blijvende
weigerachtige houding ertoe zou leiden dat de werkgever het vertrouwen
in hem zou verliezen en zou aansturen op beëindiging van het
dienstverband. Gedaagde heeft dan ook met recht geconcludeerd dat sprake
is van verwijtbare werkloosheid.
Namens appellant is in hoger beroep voornamelijk het in eerste aanleg
gestelde herhaald.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad kan hetgeen door de rechtbank is overwogen en beslist in grote
lijnen onderschrijven. Ook naar het oordeel van de Raad had appellant
redelijkerwijs kunnen begrijpen dat hij door zich, naar uit de
gedingstukken is gebleken, hardnekkig te verzetten tegen de voorgenomen
verhuizing en daarin te volharden ook nadat de werkgever had besloten de
verhuizing door te zetten, een risico schiep met betrekking tot de
voortzetting van zijn dienstverband. Daarbij weegt mee dat - daargelaten
de niet onderbouwde stelling omtrent aantasting van zijn rechtspositie -
appellant in feite geen reële bezwaren tegen de verhuizing heeft
aangevoerd, terwijl de werkgever daaraan een motief van
bedrijfseconomische aard ten grondslag heeft gelegd. Appellant had
kunnen begrijpen dat zijn opstelling dat eerst van verhuizing sprake kon
zijn nadat de rechter over de rechtmatigheid ervan zou hebben beslist,
door de werkgever als een weigering van elke medewerking zou worden
opgevat. Gedaagde heeft dan ook de houding die appellant telkenmale ten
opzichte van de verhuizing heeft ingenomen, met recht kunnen aanmerken
als leidend tot een verwijtbare werkloosheid.
In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad onvoldoende grond om
te oordelen dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover
aangevochten, moet worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Awb omtrent de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. B.M. van Dun en mr.
J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als
griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2005.
(get.) H. Bolt.
(get,) M.D.F. de Moor.
|
|