|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/2026 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 maart
2004, nr. AWB 03/1017, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens appellant
zijn tevens nadere stukken ingezonden.
Van de zijde van gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 5 oktober 2005, waar voor
appellant is verschenen diens echtgenote [naam echtgenote] en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen
door G.M.M. Diebels, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, als
vaststaand aangenomen, feiten en omstandigheden.
1.1. Bij brief van 6 december 2001 heeft appellant zich gewend tot
gedaagde met het verzoek de schade te vergoeden die hij heeft geleden in
verband met een aanslag inkomstenbelasting over 1999.
1.2. Bij besluit van 2 juli 2002 heeft gedaagde dit verzoek afgewezen
omdat appellant volgens gedaagde geen schade heeft geleden. Het feit dat
gedaagde aanvankelijk te weinig loonheffing heeft ingehouden op de
uitkering van appellant betekent dat hij aanvankelijk teveel
netto-uitkering heeft ontvangen. Middels de aanslag inkomstenbelasting
over 1999 heeft de belastingdienst de te weinig ingehouden loonheffing
verrekend. Appellant is hierdoor per saldo niet in een financieel
nadeliger positie terecht gekomen.
1.3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Daarbij heeft
appellant tevens verzocht de schade te vergoeden welke hij heeft geleden
door een fout van gedaagde, waardoor hem in 1999 gedurende in totaal zes
maanden geen uitkering is uitbetaald en appellant deze periode met
latere financiering heeft moeten overbruggen.
1.4. Bij het bestreden besluit van 27 maart 2003 heeft gedaagde het
bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Gedaagde heeft zijn
standpunt, dat geen sprake is van schade, gehandhaafd. Volgens gedaagde
geldt hetzelfde voor de zogenoemde overbruggingsperiode, gedurende welke
appellant, naar tussen partijen niet in geschil is, gedurende zes
maanden geen uitkering heeft ontvangen. Indien appellant in een periode
te weinig uitkering heeft ontvangen, is dat volgens gedaagde in een
latere periode gecorrigeerd.
1.5. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.
1.6. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat
gedaagde de aanslag inkomstenbelasting over 1999, ten bedrage van f
2.154,-- (€ 977,44) dient te vergoeden. Voorts heeft appellant gesteld
dat hij tijdens de hiervoor genoemde overbruggingsperiode gedurende 26
weken f 150,-- per week, in totaal: f 3.900,- (€ 1.769,74), heeft
moeten lenen van familie en vrienden tegen een rente van 3%. Appellant
vordert van gedaagde betaling van dit geleende bedrag en de daarover
betaalde rente.
2. De Raad overweegt het volgende.
2.1. De Raad merkt vooreerst op dat de bestuursrechter bevoegd is in
(hoger) beroep te oordelen over het (zuiver) schadebesluit van 27 maart
2003. Aan dat verzoek ligt immers een beslissing over de hoogte van de
uitkering ten grondslag, welke beslissing blijkt uit een
uitkeringsspecificatie waarop onder meer de hoogte van de ingehouden
loonheffing staat vermeld. Die uitkeringsspecificatie valt aan te merken
als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), waartegen na voorafgaand bezwaar beroep openstond
bij de bestuursrechter.
2.2. Met betrekking tot de aanslag inkomstenbelasting over 1999 deelt de
Raad het standpunt van gedaagde dat appellant geen schade heeft geleden.
Gedaagde heeft over de in 1999 verstrekte uitkering te weinig
loonheffing ingehouden. Bij de (voorlopige) aanslag inkomstenbelasting
over 1999 van 24 november 2000 heeft de belastingdienst dit gecorrigeerd
en een bedrag van f 2.088,-- (€ 947,49) aan loonbelasting verrekend.
Gedaagde heeft terecht gesteld dat appellant hierdoor per saldo niet in
een financieel nadeliger positie gekomen is. De Raad kan dit bedrag dan
ook niet aanmerken als door appellant geleden schade.
2.3. Naar het oordeel van de Raad kan ook de bij die aanslag in rekening
gebrachte heffingsrente ad f 66,-- (€ 29,95) niet als door appellant
geleden schade worden beschouwd. Appellant heeft voormeld bedrag van f
2.088,-- (€ 94,49) immers al die tijd onder zich gehad en daardoor een
rentevoordeel genoten dat door de heffingsrente ongedaan is gemaakt.
2.4. Met betrekking tot de overbruggingsperiode heeft appellant gesteld
in totaal f 3.900,-- ( € 1.769,74) van familie en vrienden te hebben
geleend tegen een rente van 3%. De Raad ziet niet hoe dit geleende
bedrag van f 3.900,-- (€ 1.769,74) als door appellant geleden schade
kan worden aangemerkt. Aan appellant is immers een nabetaling gedaan
waarmee het recht over de desbetreffende periode alsnog tot uitbetaling
van de WW-uitkering heeft geleid. Aangezien appellant voorts zijn
stelling dat hij dit bedrag heeft moeten lenen tegen een rente van 3%
niet met concrete en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd, acht de
Raad ook dit deel van de vordering van appellant niet voor toewijzing
vatbaar. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat appellant als gevolg
van die nabetaling financieel nadeel heeft geleden.
3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet
kan slagen en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de
Awb inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van L.
Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 november
2005.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) L. Karssenberg.
|
|