|
Uitspraak
04/2840 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad, op bij
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden, hoger beroep ingesteld
tegen een door de rechtbank Zwolle op 12 mei 2004, nr. AWB 03/412 WW,
tussen partijen gegeven uitspraak (de aangevallen uitspraak) waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Door gedaagde is bij brief van 19 juli 2004 een verweerschrift
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 28 september 2005, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Gloudi
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.
A.J.G. Lindeman, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het onderhavige geschil betrekking heeft op
artikel 23 van de Werkloosheidswet (WW) dat als volgt luidt:
“Het recht op uitkering kan niet worden vastgesteld over perioden
gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een
uitkering werd ingediend. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken
van de eerste volzin.”
Appellant is op 3 augustus 1999 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als
medewerker hijs- en transport. Per 17 april 2000 heeft appellant zijn
werkzaamheden gedeeltelijk hervat. Met ingang van 1 augustus 2000,
zijnde de datum waarop appellant 52 weken (deels) arbeidsongeschikt is
geweest, zijn aan hem voorschotten op basis van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
Bij brief van 14 mei 2001 heeft de bij de
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling betrokken arbeidsdeskundige appellant
meegedeeld dat hij aan het einde van de ziektewetperiode 35 tot 45%
arbeidsongeschikt wordt beschouwd. In die brief heeft de
arbeidsdeskundige gedaagde tevens meegedeeld dat nog verder onderzoek
zal worden ingesteld naar het verrichte overwerk in de referteperiode.
Voorts is meegedeeld: “Omdat u nog geen passend werk heeft, kunt u een
WW-uitkering aanvragen. Indien uw werkgever geen passend werk voor u
heeft.”
In afwijking hiervan heeft gedaagde bij besluit van 17 augustus 2001 aan
appellant met ingang van 1 augustus 2000 een uitkering ingevolge de WAO
toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot
80%. Bij besluit van 2 november 2001 heeft gedaagde de mate van arbeidsongeschiktheid per 1
augustus 2000 herzien en bepaald op 35 tot 45%. Vervolgens heeft
gedaagde bij besluit van 14 november 2001 de als gevolg van de
herziening van 2 november 2001 teveel betaalde WAO-uitkering van
appellant teruggevorderd.
Appellant heeft in oktober 2002 een WW-uitkering aangevraagd. Deze
aanvraag heeft, blijkens het verslag van het gehouden intakegesprek,
betrekking op de periode 1 augustus 2000 tot 1 september 2001. Bij het
primaire besluit van 28 november 2002 is deze aanvraag afgewezen.
Hierbij is, onder verwijzing naar artikel 23 van de WW, overwogen dat
het recht niet meer kan worden vastgesteld omdat de gehele periode
waarop de aanvraag betrekking heeft meer dan 26 weken ligt voor de dag
waarop de aanvraag is ingediend en er geen redenen zijn om daarvan af te
wijken. Dit besluit is, na gemaakt bezwaar, bij het bestreden besluit
van 6 maart 2003 gehandhaafd, onder de overweging dat geen sprake is van
een bijzonder geval.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het hiertegen door
appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is
geen sprake van een bijzonder geval, omdat appellant, na de brief van 14
mei 2001 dan wel na het besluit van 2 november 2001, had moeten
begrijpen dat zijn uitkering (alsnog) berekend zou gaan worden naar een
lager percentage en dat dit percentage, tezamen met het feitelijk door
hem verrichte werk, een gedeeltelijke werkloosheid liet zien.
In hoger beroep voert appellant aan dat ten onrechte is geoordeeld dat
geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 23, tweede
volzin, van de WW.
De Raad overweegt als volgt.
Tussen partijen - en ook voor de Raad - staat vast dat appellant op 1
augustus 2000 werkloos is geworden en dat de aanvraag van appellant om
voor een WW-uitkering in aanmerking te komen pas in oktober 2002 is
ingediend. Tussen partijen is niet in geschil dat het bepaalde in de
eerste volzin van artikel 23 van de WW in de weg staat aan vaststelling
van het recht op uitkering over de in geding zijnde periode, zijnde 1
augustus 2000 tot 1 september 2001, hetgeen met zich brengt dat slechts
indien sprake zou zijn van een bijzonder geval als bedoeld in de tweede
volzin van artikel 23 van de WW uitkering kan worden toegekend.
Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen, onder meer in zijn
uitspraak van 6 augustus 1991, LJN ZB2067 en RSV 1992/6, is de aanwezigheid van een bijzonder geval een objectieve
voorwaarde voor het doen ontstaan van, en de uitoefening van, de
bevoegdheid van gedaagde om van het bepaalde in de eerste volzin af te
wijken en zal de rechter in volle omvang dienen te toetsen of in een
concreet geval aan die voorwaarde is voldaan. Uit de jurisprudentie van
de Raad - zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 december 2003, LJN AO4502
en RSV 2004/67- blijkt voorts dat het begrip “bijzonder geval” naar
zijn aard restrictief dient te worden uitgelegd.
Evenmin als de rechtbank en gedaagde acht de Raad hier een bijzonder
geval aanwezig.
In zijn uitspraak van 30 maart 2005, LJN AT4785 en USZ 2005/200 heeft de
Raad overwogen dat in situaties als de onderhavige, waarin de
WAO-beoordeling veel later dan na 52 weken arbeidsongeschiktheid heeft
plaatsgevonden en appellant tengevolge van die beoordeling achteraf
bezien werkloos bleek te zijn, op gedaagde een extra
verantwoordelijkheid rust om appellant juist en duidelijk te informeren
over de door hem te ondernemen stappen. Naar het oordeel van de Raad is
gedaagde hierin niet te kort geschoten. Appellant is er bij brief van de
arbeidsdeskundige van 14 mei 2001 op geattendeerd dat hij een
WW-uitkering kon aanvragen indien zijn werkgever geen passend werk voor
hem zou hebben. De eventueel op dat moment nog bestaande onduidelijkheid
over het voor de bepaling van de arbeidsongeschiktheidsklasse van belang
zijnde maatmanloon, alsmede de onduidelijkheid of bij de werkgever van
appellant passende arbeid voorhanden was, was ten tijde van het besluit
van 2 november 2001 verdwenen. Het had appellant derhalve in ieder geval
vanaf dat moment - en zeker vanaf 14 november 2001, toen de teveel
ontvangen WAO-uitkering werd teruggevorderd - duidelijk kunnen en moeten
zijn dat hij een WW-uitkering kon aanvragen. Geen enkele objectieve
omstandigheid belette hem dat. Dat appellant op dat moment niet wist dat
hij een dergelijke aanvraag ook met terugwerkende kracht kon indienen,
rechtvaardigt niet de conclusie dat er van een bijzonder geval sprake
is.
Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde terecht heeft besloten dat het
recht van appellant op uitkering niet kan worden vastgesteld. De
aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking. Gelet
hierop is voor vergoeding van (rente)schade als door appellant verzocht
op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen
plaats.
De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Aldus gegeven door mr. C.P.J. Goorden als voorzitter en mr. H.G. Rottier
en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 november 2005.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) L. Karssenberg.
|
|