|
Uitspraak
04/5883 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 8 oktober
2004, nummer AWB 04/1823 WW, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 19 oktober 2005, waar appellant
in persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Appellant is met ingang van 22 mei 2000 als chauffeur internationaal in
dienst getreden bij G [de werkgever] (hierna: de werkgever). Naar
aanleiding van een analyse van het schadeverloop van de werkgever heeft
diens verzekeringsmaatschappij de werkgever medegedeeld dat zij met
ingang van 1 april 2003 geen verzekeringsdekking meer wil bieden als
appellant als bestuurder optreedt. Appellant is hiervan bij brief van 26
februari 2003 in kennis gesteld door de verzekeringsmaatschappij. Met
ingang van 24 maart 2003 heeft appellant zich ziek gemeld. Nadien heeft
hij geen werkzaamheden meer verricht voor de werkgever.
Bij brief van 1 april 2003 heeft de werkgever appellant bericht dat zij
tezamen zijn overeengekomen de arbeidsovereenkomst met ingang van 1
april 2003 te beëindigen. Appellant heeft hiertegen geprotesteerd.
Na een gesprek met appellant over een oplossing van de ontstane
problemen heeft de werkgever appellant uitgenodigd voor een
sollicitatiegesprek met betrekking tot de functie van loodsmedewerker op
18 april 2003. Vast staat dat dit gesprek voortijdig door appellant is
afgebroken en dat appellant de functie van loodsmedewerker niet heeft
gekregen. In een brief aan de toenmalige gemachtigde van appellant van
22 april 2003 heeft de werkgever onder meer gesteld dat de functie van
loodsmedewerker niet aan appellant is aangeboden omdat appellant vanaf
de aanvang van het gesprek recalcitrant gedrag heeft getoond en zich
dreigend heeft uitgelaten.
Bij beschikking van 23 mei 2003 heeft de kantonrechter op een daartoe
strekkend verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbonden met
ingang van 1 juni 2003. Aan appellant is geen vergoeding toegekend.
Op 5 juni 2003 heeft appellant een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit
van 18 juli 2003 heeft gedaagde deze uitkering blijvend geheel geweigerd
op grond van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24, eerste
lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en
onder a, van de WW, waarin de verplichting is neergelegd dat de
werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt doordat hij zich
verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten
begrijpen, dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot
gevolg zou kunnen hebben.
Het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar is bij het bestreden
besluit van 9 maart 2004 ongegrond verklaard. Gedaagde heeft aan de
weigering van de WW-uitkering subsidiair ten grondslag gelegd dat
appellant in onvoldoende mate heeft geprobeerd passende arbeid te
verkrijgen en heeft nagelaten aangeboden passende arbeid te aanvaarden.
De rechtbank heeft het door appellant ingestelde beroep ongegrond
verklaard. De rechtbank heeft in haar overwegingen slechts de
subsidiaire grond besproken, omdat de weigering van de uitkering naar
haar oordeel in ieder geval op die grond terecht is geweest. De
rechtbank, die appellant heeft aangeduid als eiser en gedaagde als
verweerder, overwoog daartoe het volgende:
"Op 18 april 2003 heeft tussen de directeur van [de werkgever] en
eiser (...) een sollicitatiegesprek plaatsgevonden. Blijkens zijn
verklaring ter zitting heeft eiser meteen bij aanvang van dit gesprek
duidelijk gemaakt eerst de kwestie van zijn ontslag als chauffeur uit te
willen praten alvorens op de functie van loodsmedewerker in te gaan. Het
gesprek is daarop geëscaleerd en in een onprettige sfeer voortijdig
afgebroken, zonder dat overeenstemming kon worden bereikt over de
functie van loodsmedewerker.
De rechtbank is van oordeel dat eiser er alles aan gelegen had moeten
zijn om zijn werkgelegenheid zeker te stellen zodat, teneinde een goed
verloop en een gunstige uitkomst van het gesprek niet in gevaar te
brengen, een terughoudende opstelling geboden was. Op grond van het
voorgaande dient evenwel te worden geconcludeerd dat eiser door zijn
opstelling bij aanvang zodanig de toon heeft gezet dat het gesprek
daarna niet meer in goede harmonie kon plaatsvinden, hetgeen met zich
meebracht dat de kans op het verkrijgen van een nieuwe, passend te
achten, functie verkeken was.
Dit betekent dat verweerder zich derhalve terecht op het standpunt heeft
gesteld dat eiser werkloos is of blijft doordat hij heeft nagelaten
aangeboden passende arbeid te aanvaarden of deze arbeid door eigen
toedoen niet heeft verkregen."
In hoger beroep heeft appellant zijn reeds bij de rechtbank ingenomen
standpunt herhaald dat de werkgever in de brief van 22 april 2003 een
onjuiste lezing heeft gegeven van het verloop van het
sollicitatiegesprek, omdat niet hij maar de directeur zich in dat
gesprek verbaal onheus gedroeg, waarop appellant besloot het gesprek af
te breken. Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij nooit heeft
ingestemd met ontslag per 1 april 2003.
Gedaagde heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen
op de grond dat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft
verkregen.
De Raad stelt vast dat appellant in vergelijking met hetgeen hij bij de
rechtbank heeft aangevoerd in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe
argumenten naar voren heeft gebracht. De Raad onderschrijft hetgeen de
rechtbank daaromtrent heeft overwogen en hij neemt die overwegingen
over. De Raad is derhalve met de rechtbank van oordeel dat appellant
door eigen toedoen geen passende arbeid heeft verkregen en daarmee de op
hem rustende verplichting van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b,
sub 2, van de WW heeft overtreden. In deze situatie was gedaagde, gezien
artikel 27, tweede lid, van de WW, verplicht om de WW-uitkering blijvend
geheel te weigeren, nu aannemelijk is dat appellant de functie zou
hebben verkregen indien hij zich anders had opgesteld.
Appellant heeft zich er in hoger beroep voorts en terecht over beklaagd
dat de rechtbank niet is ingegaan op zijn grief dat gedaagde bij het
nemen van zijn beslissing op bezwaar de daarvoor ingevolge artikel 7:10
van de Algemene wet bestuursrecht geldende termijn heeft overschreden.
Naar het oordeel van de Raad had de rechtbank behoren vast te stellen
dat gedaagde die termijn heeft overschreden. Deze overschrijding kan
evenwel niet tot gevolg hebben dat aan appellant, ondanks de juistheid
van gedaagdes weigering hem een WW-uitkering toe te kennen, toch een
WW-uitkering moet worden toegekend.
Nu appellant daarbij, gelet op hetgeen hij heeft aangevoerd, geen belang
heeft, ziet de Raad geen aanleiding de aangevallen uitspraak te
vernietigen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en
mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van S. l'Ami als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 november 2005.
(get.) H. Bolt.
(get.) S. l’Ami.
|
|