|
Uitspraak
04/4612 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. P.E.F. Domevscek, advocaat te
’s-Hertogenbosch, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 15 juli
2004, zaaksnummer AWB 03/431 WW tussen partijen gewezen uitspraak,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij brief van 27 september 2004 heeft mr. W. van Grieken, advocaat te
’s-Hertogenbosch, bericht de zaak van mr. Domevscek te hebben
overgenomen.
Op 4 november 2004 heeft mr. Van Grieken een aanvullend beroepschrift
ingediend onder toevoeging van een aantal bijlagen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 21 september 2005 heeft mr. Van Grieken een aanvulling
gegeven op het beroepschrift.
Het geding is behandeld ter zitting van 28 september 2005, waar
appellant in persoon is verschenen met bijstand van mr. W. van Grieken,
voornoemd, als zijn raadsvrouw en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. J. Röttjers, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde in geding.
Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant als eiser is aangeduid
en gedaagde als verweerder - ontleent de Raad de volgende feiten en
omstandigheden:
“Bij besluit van 26 september 2002 heeft gedaagde geweigerd aan het
verzoek van appellant te voldoen omdat appellant de hoedanigheid van
werknemer heeft verloren en deze niet meer kan herkrijgen, nu hij langer
dan 18 maanden werkzaam is geweest als zelfstandige. Het tegen dit
besluit ingediende bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 6 januari
2003, het bestreden besluit, ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen
dat ingevolge bestaande jurisprudentie het werknemerschap op grond van
artikel 8, tweede lid, van de WW alleen kan worden herkregen, indien de
zelfstandige werkzaamheden binnen een termijn van anderhalf jaar na
aanvang hiervan, volledig worden beëindigd en er geen activiteiten meer
worden verricht. Hiervan kan niet worden gesproken nu appellant nog
steeds probeert om opdrachten binnen te halen. En ook indien appellant
op 1 juli 2002 definitief zijn activiteiten als zelfstandige zou hebben
beëindigd, dan nog had appellant het werknemerschap niet kunnen
herkrijgen, omdat de termijn van anderhalf jaar na aanvang van de
activiteiten op 8 mei 2000 op dat moment al lang was verstreken, aldus
gedaagde”.
Appellant heeft zich in hoger beroep primair op het standpunt gesteld
dat hij het werknemerschap op 7 september 2001 van rechtswege heeft
herkregen op grond van artikel 8 van de WW, omdat hij na die datum zijn
werkzaamheden als zelfstandige volledig heeft gestaakt. Subsidiair heeft
appellant het standpunt ingenomen dat de overschrijding van de termijn
van anderhalf jaar - voor zover van overschrijding kan worden gesproken,
hetgeen wordt betwist - niet voor zijn rekening en risico behoort te
komen.
De Raad overweegt als volgt.
Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is ook de Raad
van oordeel dat appellant met ingang van 8 mei 2000 is begonnen met het
verrichten van werkzaamheden als zelfstandige en dat hij anderhalf jaar
later - op 8 november 2001 - nog als zelfstandige moet worden beschouwd.
Genoegzaam is gebleken dat de activiteiten van appellant in de periode
na het aflopen van zijn project bij Siemens AG te Duitsland op 6
september 2001, zowel gericht waren op het verwerven van nieuwe
projecten als zelfstandige als op werk in loondienst. Daarop wijst ook
het gegeven dat appellant reeds met ingang van 1 december 2001 vanuit
zijn B.V. [de besloten vennootschap] weer als zelfstandige op
projectbasis is gaan werken. Ook de acquisitie behoort tot het
verrichten van zelfstandige werkzaamheden.
Derhalve kan naar het oordeel van de Raad niet worden gesproken van een
volledige beëindiging van de werkzaamheden als zelfstandige. De Raad
merkt in dit verband nog op dat appellant gedurende de gehele procedure
tot aan het begin van het geding in hoger beroep steeds zelf heeft
aangegeven dat zijn activiteiten - zij het noodgedwongen - mede gericht
waren op het verkrijgen van arbeid als zelfstandige.
De conclusie moet dan ook zijn dat gedaagde op goede grond heeft
besloten dat appellant het werknemerschap op 1 juli 2002 niet heeft
herkregen.
Gezien het vorenstaande treft hetgeen in hoger beroep als primaire grond
naar voren is gebracht dan ook geen doel. De subsidiaire grond heeft
appellant eveneens in eerste aanleg aangevoerd. Nu de Raad hetgeen
daarover door de rechtbank is vastgesteld en overwogen volledig kan
onderschrijven en appellant in hoger beroep dienaangaande niets anders
of meer heeft aangevoerd, volstaat de Raad met de vaststelling dat ook
deze grief van appellant niet slaagt.
Namens appellant is eerst bij schrijven van 21 september 2005 gesteld
dat hij per 8 mei 2000 niet als zelfstandige, maar in loondienst werkte.
Met betrekking tot dit nadere standpunt van appellant over de
kwalificatie van de werkzaamheden die hij van 8 mei 2000 tot 7 september
2001 heeft verricht, merkt de Raad op hieraan voorbij te gaan. De Raad
acht het in strijd met de beginselen van een goede procesorde om in dit
stadium van het geding met een dergelijke standpuntwijziging te komen,
terwijl er bovendien geen enkel gegeven ter onderbouwing van dat nadere
standpunt is overgelegd.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. J. Riphagen
en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van S. l’Ami als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 november 2005.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) S. l’Ami.
|
|