|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/3174 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Gravenhage op 29 april 2004,
nr. AWB 03/3156 WW, tussen partijen gewezen uitspraak (hierna de
aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 11 oktober 2005, waar appellante
in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. R. Sowka, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Appellante was van 12 november 2001 tot 12 november 2002 werkzaam bij
het UWV GAK te [vestigingsplaats] als [[beroep], waarna zij werkloos is
geworden. Appellante heeft op 13 november 2002 een WW-uitkering
aangevraagd.
Gedaagde heeft bij besluit van 5 februari 2003 aan appellante met ingang
van 12 november 2002 een uitkering krachtens de WW toegekend, gebaseerd op
een gemiddeld aantal arbeidsuren per week van 33,62. Appellante heeft
daartegen bezwaren gericht. Aan het daarop genomen bestreden besluit van
16 juni 2003 ligt ten grondslag dat appellante in de 26 weken
onmiddellijk voorafgaand aan haar werkloosheid per 12 november 2002 in 11 weken 38 uur per week heeft gewerkt en in 15
weken 30,4 uur per week, in totaal 874 uur. Dit resulteert in een
gemiddeld aantal arbeidsuren per week van 33,62. Het bezwaar van
appellante dat zij in de 26 weken voorafgaand aan haar werkloosheidsdag
gedurende meer uren per week werkzaamheden heeft verricht dan het aantal
uren waar bij het besluit van 5 februari 2003 vanuit is gegaan, is
ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
appellante ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft
gedaagde terecht het gemiddeld aantal arbeidsuren per week als bedoeld
in artikel 16, tweede lid, van de WW bepaald op 33,6. De rechtbank heeft
daartoe overwogen dat niet ter discussie staat dat een voltijdse
werkweek ten tijde hier in geding 38 uur per week omvatte. Blijkens het
loonstrookje van appellante was het aan haar betaalde salaris gebaseerd
op een arbeidsduur van 80%. Gelet op het aantal uren bij een voltijdse
werkweek volgt daaruit dat de arbeidsduur van appellante per week moet
worden vastgesteld op 30,4 uur. De stelling van appellante dat zij na 1
augustus 2002 feitelijk 32 uur per week werkte, doet volgens de
rechtbank daaraan niet af. Gelet op de brief van de
personeelsfunctionaris van 12 februari 2004, is deze gang van zaken
gebruikelijk. Op die manier worden ATV/ADV-uren opgebouwd die dan in
overleg kunnen worden opgenomen. Uit deze brief volgt niet dat, zoals
appellante stelt, met haar, in afwijking van die praktijk, een
dienstverband van 32 uur per week zonder ATV/ADV-uren is overeengekomen.
Van een onredelijk onderscheid tussen fulltimers en parttimers is de
rechtbank niet gebleken.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat in het
contract van 4 juli 2002 staat vermeld zij vanaf 1 augustus 2002 32 uur
is gaan werken. Daarbij zijn haar ATV- en vakantiedagen naar rato
herberekend. Appellante heeft een aantal ATV- en vakantiedagen moeten
inleveren omdat haar werkgever haar van te voren de ATV- en
vakantiedagen voor het gehele jaar van een fulltimer had toebedeeld.
Appellante is van mening dat gedaagde en de rechtbank in strijd met het
contract van 4 juli 2002 van oordeel zijn dat een contract van 80%
gelijk staat aan een 30,4-urige werkweek. Voorts heeft appellante in
hoger beroep nogmaals gesteld dat er een onrechtvaardig verschil bestaat
tussen het verlenen van een WW-uitkering aan fulltimers en parttimers.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of gedaagde op
goede gronden het gemiddeld aantal arbeidsuren per week op 33,62 heeft
bepaald.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en
stelt zich volledig achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.
Ook de Raad is van oordeel dat uit de gedingstukken niet anders kan
worden opgemaakt dat er sprake is van een werkweek van 32 uur, in welke
32 uur ATV- of ADV-uren zijn opgenomen. De Raad verwijst daarvoor naar
de werkgeversverklaring en naar de brief van 12 februari 2004 van G. de Gier waarin wordt gesteld dat normaliter uitgegaan wordt van een
8-urige werkdag, maar dat echter na toepassing van ATV/ADV de werkdag
uit 7,6 uur bestaat. Tevens verwijst de Raad naar de salarisstrook
waaruit volgt dat er in de in geding zijnde periode salaris is betaald
naar een dienstverband van 30,4 uur per week, namelijk 80% van 38 uur
per week. Ook verwijst de Raad naar de brief van 4 juli 2002 waarin
wordt bevestigd dat appellante met ingang van 1 augustus 2002 haar
huidige functie gedurende 32 uur per week gaat uitoefenen, en dat
dienovereenkomstig het salaris per gelijke datum 80% van het volledige
salaris bedraagt, hetgeen volgens de Raad zoals hiervoor weergegeven
neerkomt op een betaling naar 30,4 uur. Uit deze brief blijkt tevens dat
appellantes ATV- en vakantiedagen naar rato zullen worden herberekend.
De Raad onderkent dat bij appellante de wens heeft bestaan daadwerkelijk
32 uur per week te werken en dat zij in de veronderstelling verkeerde
dat zij ook overeenkomstig die wens met haar werkgever had
gecontracteerd. Zoals blijkt uit het voorgaande was de inhoud van het
contract echter een andere hetgeen appellante op basis van de
salarisstroken en feitelijke loonbetalingen duidelijk had kunnen zijn.
Van een ongerechtvaardigd verschil tussen fulltimers en parttimers is de
Raad, bij gebreke van een nadere onderbouwing door appellante en gelet
op het feit dat, gelet op het voorgaande, juist naar rato salaris wordt
vastgesteld, uren worden gewerkt en ATV of ADV wordt opgebouwd, niet
gebleken.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H.G. Rottier in tegenwoordigheid van M.D.F. de
Moor als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 november 2005.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) M.D.F. de Moor.
|
|