|
Uitspraak
04/4148 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2004, nr. WW
03/3107, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Door gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 5 oktober 2005, waar appellante,
na voorafgaand bericht, niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door G.J. Samsom, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Appellante was sinds 29 januari 1996 in loondienst van [naam Ltd] Ltd
(hierna: [naam Ltd]) en werkzaam in een horecabedrijf te Rotterdam,
genaamd Café [naam café]. Dit bedrijf is per 1 november 2002 verpacht aan
[naam pachter] (hierna: [naam
pachter]) die de exploitatie van het café heeft voortgezet. [Naam
pachter] heeft per 1 februari 2003 geen verdere uitvoering gegeven aan
de pachtovereenkomst en heeft het café gesloten. Appellante is
sindsdien niet meer toegelaten tot haar werk en heeft een WW-uitkering
aangevraagd die haar bij het bestreden besluit is geweigerd.
Met een besluit van 13 maart 2003 is appellante meegedeeld dat zij met
ingang van 3 februari 2003 voldoet aan alle voorwaarden voor het recht op een
WW-uitkering, maar dat deze uitkering per die datum blijvend geheel
wordt geweigerd omdat zij verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van
artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW, door niet te
protesteren tegen het haar verleende ontslag.
Bij het thans bestreden besluit van 30 september 2003 is het bezwaar van
appellante tegen voormeld besluit ongegrond verklaard.
Het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij
voormelde uitspraak van de rechtbank ongegrond verklaard.
Door appellante is in hoger beroep onder meer gesteld - hetgeen door
gedaagde is betwist - dat zij al het mogelijke heeft gedaan om haar
rechten uit de arbeidsovereenkomst met [naam pachter] te effectueren en
dat, als er al sprake is van enige verwijtbaarheid, dit niet de bij het
bestreden besluit opgelegde maatregel rechtvaardigt.
De Raad overweegt het volgende.
In dit geding is de vraag aan de orde of gedaagde in het bestreden
besluit terecht heeft geoordeeld dat appellante met ingang van 3
februari 2003 verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel
24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW, omdat zij niet (in rechte)
heeft geageerd tegen het haar verleende ontslag.
De Raad is met gedaagde van oordeel dat er per 1 november 2002 sprake is
geweest van een overgang van een onderneming als bedoeld in artikel
7:662 van het Burgerlijk Wetboek (BW) waardoor de rechten en
verplichtingen die op grond van de arbeidsovereenkomst van appellante
ten opzichte van [naam Ltd] bestonden, per die datum van rechtswege zijn
overgegaan op [naam pachter]. Appellante kan niet worden gevolgd in haar
standpunt dat zij, gelet op het feit dat de bij de pachtovereenkomst
betrokken partijen waren overeengekomen dat [naam Ltd] tot 1 februari
2003 haar loon zou betalen, pas per die datum in dienst zou treden bij [naam pachter].
De Raad is van oordeel dat voormelde vraag ontkennend moet worden
beantwoord, reeds omdat uit de beschikbare gegevens niet kan worden
afgeleid dat de dienstbetrekking van
appellante door ontslag is beëindigd. Weliswaar heeft de werkgever
feitelijk geen werk meer beschikbaar gesteld, maar dat brengt niet mee
dat daardoor de dienstbetrekking is beëindigd.
Derhalve is de grondslag aan het bestreden besluit ontvallen.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de
aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Gedaagde zal een nieuw
besluit op het door appellante ingediende bezwaar tegen het besluit van
13 maart 2003 moeten nemen.
Appellante heeft op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) verzocht gedaagde te veroordelen tot vergoeding van
schade.
De Raad is van oordeel dat dit verzoek niet kan worden toegewezen omdat,
gelet op het feit dat gedaagde een nieuw besluit moet nemen, thans niet
kan worden vastgesteld of appellante schade heeft geleden. Gedaagde zal
bij het nemen van een nader besluit tevens aandacht moeten besteden aan
de vraag in hoeverre aanleiding bestaat om aan appellante schade te
vergoeden.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van art. 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante ter zake van
verleende rechtsbijstand, begroot op € 644,-- in beroep en € 322,--
in hoger beroep, in totaal € 966,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze
uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de kosten van appellante tot een bedrag van €
966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep van in
totaal € 133,-- (€ 31,-- in eerste aanleg en € 102,-- in hoger
beroep) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. C.P.J. Goorden als voorzitter en mr. H.G. Rottier
en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van S. l’Ami als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 november 2005.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) S. l’Ami.
|
|