|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/5567 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 24 augustus 2004, nr.
WW 03/3280, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 14 december 2005, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot
[naam echtgenoot], en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen
door mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
1. De Raad stelt vast dat appellante bij aangetekende brief, gedateerd
30 november 2005, door de Raad ontvangen op 6 december 2005, een ruim aantal nadere stukken in het geding heeft
gebracht. Nu deze stukken niet voor de aanvang van de in artikel 8:58,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde termijn van
tien dagen zijn ontvangen, heeft de Raad deze stukken, gelet ook op
hetgeen partijen ter zitting hierover naar voren hebben gebracht, bij de
beoordeling van het geschil buiten beschouwing gelaten.
2. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
3.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
3.2. Aan appellante is met ingang van 1 januari 1998 een WW-uitkering
toegekend, gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren van 13 uur per
week. Daarnaast heeft appellante, reeds sedert 1 november 1973, een baan
van vier dagen in de week voor 19 uur in de week. Naar aanleiding van de
door appellante ingevulde werkbriefjes heeft gedaagde geconcludeerd dat
appellante onvoldoende heeft getracht passende arbeid te verkrijgen, als
bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de
WW. Dit heeft achtereenvolgens geleid tot de volgende besluiten:
- bij besluit van 25 juni 2002 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde met
ingang van 17 juni 2002 tot 7 oktober 2002 een korting toegepast op de
WW-uitkering van appellante van 20%; appellante heeft bij brief van 4
augustus 2002 tegen dit besluit bezwaar gemaakt;
- bij besluit van 25 juli 2002 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde met
ingang van 15 juli 2002 tot 4 november 2002 een korting toegepast op de
WW-uitkering van appellante van 30%;
- bij besluit van 9 augustus 2002 (hierna: besluit 3) heeft gedaagde met
ingang van 12 augustus 2002 tot 2 december 2002 een korting toegepast op
de WW-uitkering van appellante van 30%;
- bij besluit van 23 oktober 2002 (hierna: besluit 4) heeft gedaagde de
WW-uitkering met ingang van 7 oktober 2002 blijvend geheel geweigerd;
appellante heeft bij brief van 4 december 2002, door gedaagde ontvangen
op 9 december 2002, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Nadat appellante telefonisch contact had opgenomen met gedaagde, zijn
haar bij schrijven van 31 maart 2003 afschriften toegezonden van de
besluiten 1, 2 en 3. Bij brief van 13 april 2003 heeft appellante
bezwaar gemaakt tegen besluit 2, welk besluit door haar, naar zij stelt,
pas voor het eerst op 18 maart 2003 is ontvangen. Bij brief van 14 april
2003 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen besluit 3, welk besluit door
haar, naar zij stelt, pas voor het eerst op 18 maart 2003 is ontvangen.
3.3. Gedaagde heeft bij besluit van 25 september 2003 (hierna: het
bestreden besluit) de bezwaren van appellante tegen de besluiten 1 tot
en met 4 ongegrond verklaard.
3.4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen
het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen
dat appellante, gelet op de voorhanden zijnde gegevens, in de aan de
orde zijnde perioden onvoldoende sollicitatieactiviteiten heeft verricht
en dat de door appellante op geen enkele wijze nader onderbouwde
stelling dat zij wel voldoende heeft gesolliciteerd niet kan worden
gevolgd. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat, nu appellante de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW
neergelegde verplichting niet is nagekomen, gedaagde gehouden was een
maatregel op te leggen en dat in hetgeen appellante overigens heeft
aangevoerd geen grond is gelegen om te oordelen dat de bij het bestreden
besluit gehandhaafde maatregelen geen stand kunnen houden.
3.5. Appellante heeft in hoger beroep wederom gesteld van mening te zijn
in de aan de orde zijnde perioden wel voldoende (telefonische)
sollicitaties te hebben verricht. De door appellante in het hoger
beroepschrift aangekondigde nadere onderbouwing en uitsplitsing van die
stelling zijn pas bij brief, gedateerd 30 november 2005, toegezonden,
welke brief (met een ruim aantal bijlagen) door de Raad, naar hij
hierboven heeft overwogen, buiten beschouwing wordt gelaten. Andere
grieven heeft appellante niet aangevoerd.
4.1. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in
haar oordeel over het bestreden besluit.
4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante haar
stelling dat zij wel heeft voldaan aan de verplichting, neergelegd in
artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW, omdat
zij in de aan de orde zijnde perioden voldoende (telefonische)
sollicitaties heeft verricht, niet genoegzaam heeft onderbouwd, noch
aannemelijk gemaakt. In haar eerste bezwaarschrift d.d. 4 augustus 2002
heeft appellante nog niet gesteld voldoende sollicitatieactiviteiten te
hebben verricht, maar heeft zij betoogd dat zij elke week in drie
dagbladen heeft gezocht naar een geschikte baan: een dagblad waarop ze
was geabonneerd en een tweetal dagbladen waarvan ze steeds de
zaterdageditie heeft gekocht, en dat ze steeds geen geschikte baan heeft
kunnen vinden. Ook het zoeken in de vacaturebank van het Arbeidsbureau
heeft geen serieuze functie opgeleverd. In haar bezwaarschrift d.d. 4
december 2002 heeft appellante het gestelde in haar eerdere
bezwaarschrift herhaald en daarnaast nog aangegeven in twee
achtereenvolgende weken vier schriftelijke sollicitaties te hebben
verricht. In haar bezwaarschriften van 13 en 14 april 2003 heeft
appellante de stellingen in de eerdere bezwaarschriften herhaald. In
haar beroepschrift tegen het bestreden besluit heeft appellante onder
meer aangegeven, aan de hand van in de desbetreffende perioden gemaakte
notities en aantekeningen, bezig te zijn een lijst op te stellen van de
in die perioden verrichte sollicitatieactiviteiten. Blijkens de
aangevallen uitspraak heeft appellante ter zitting gevraagd om verdaging
van de behandeling van haar zaak ter zitting teneinde de hiervoor
bedoelde lijst alsnog te kunnen opstellen. Pas vlak voor de zitting van
de Raad en niet meer voor de aanvang van de in artikel 8:58, eerste lid,
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde termijn van tien dagen
zijn ontvangen, heeft de Raad deze stukken ontvangen.
4.3. Gelet op de voorhanden zijnde gegevens, alsmede op hetgeen
appellante gedurende het geding in eerste aanleg en het geding in hoger
beroep naar voren heeft gebracht, is de Raad van oordeel dat de
rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellante in de aan de orde
zijnde perioden onvoldoende sollicitatieactiviteiten heeft verricht.
4.4. De grief van appellante kan derhalve niet slagen, zodat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. Bolt, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006.
(get.) H. Bolt.
(get.) L. Karssenberg.
|
|