|
Uitspraak
04/5709 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
7 september 2004, nr. WW 04/338, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft de gronden van het hoger beroep aangevuld.
Het geding is behandeld ter zitting van 23 november 2005, waar
appellante in persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. R. Sowka, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de
hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen,
zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
2.1. Aan appellante is met ingang van 1 april 2002 een uitkering
ingevolge de WW toegekend. Deze uitkering is per 1 mei 2003 beëindigd
omdat haar met ingang van deze datum een uitkering ingevolge de
Ziektewet (ZW) is toegekend. In verband met een ernstige ziekte van haar
vader die op Curaçao woonde, heeft appellante zich per 17 juni 2003
hersteld gemeld voor de ZW, om vakantie te kunnen houden op Curaçao,
teneinde tijdens die vakantie bij haar vader te verblijven. Van 17 juni
2003 tot 8 juli 2003 heeft zij daar verbleven. Gedaagde heeft
vastgesteld dat zij met ingang van 9 juli 2003 weer recht heeft op
WW-uitkering.
2.2. Bij besluit van 26 augustus 2003 is appellante per 17 juni 2003
uitkering ingevolge de WW ontzegd op de grond dat zij met vakantie is
geweest van 17 juni 2003 tot en met 8 juli 2003. In deze periode was
appellante volgens gedaagde niet werkloos omdat zij niet beschikbaar was
om arbeid te aanvaarden. Dit besluit is, na gemaakt bezwaar, gehandhaafd
bij het bestreden besluit van 13 januari 2004.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden
besluit ongegrond verklaard.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. Ingevolge artikel 15 van de WW heeft de werknemer die werkloos is
recht op een uitkering. Op grond van artikel 16, eerste lid, onder b, van de WW is werkloos de werknemer die
beschikbaar is om arbeid aanvaarden. Ingevolge artikel 19, eerste lid,
aanhef en onder k, van de WW heeft een werknemer geen recht op uitkering
indien hij vakantie geniet. Op grond van het vijfde lid, aanhef en onder
b, van dat artikel kunnen regels worden gegeven met betrekking tot
de vaststelling van de periode gedurende welke de werknemer met behoud
van zijn recht op uitkering vakantie kan genieten. Aan deze laatste
bepaling is uitvoering gegeven in de ministeriële regeling van 23
januari 1992, Stcrt. 1992, 19 (hierna: de Vakantieregeling). Ingevolge
de Vakantieregeling is het mogelijk dat een werknemer, aan wie een
WW-uitkering is toegekend, met behoud van deze uitkering vakantie geniet
naar een omvang, als vermeld in deze regeling.
4.2. Het standpunt van gedaagde komt hierop neer dat appellantes recht
op uitkering kan herleven als zij bij de aanvang van haar vakantie recht
op WW-uitkering had, hetgeen ten aanzien van appellante niet het geval
was omdat ze op dat moment niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden.
Om deze reden mist de Vakantieregeling in haar geval toepassing.
4.3. De Raad heeft zich in zijn rechtspraak voorheen gesteld achter een
toepassing van de WW als waarvan het bestreden besluit en de aangevallen
uitspraak blijk geven. In zijn uitspraak van 5 oktober 2005, LJN AU3986,
USZ 2005/388, heeft de Raad zijn rechtspraak dienaangaande echter
herzien. Blijkens deze uitspraak stelt de Raad voorop dat de in
artikel 19, eerste lid, aanhef en onder k, van de WW neergelegde
uitsluitingsgrond zich niet voordoet indien vakantie wordt genoten
voorzover die blijft binnen de duur van de periode welke krachtens
artikel 19, vijfde lid, aanhef en onder b, is vastgesteld. Tussen
partijen is niet in geschil dat appellante met ingang van 17 juni 2003
niet langer arbeidsongeschikt was en de aanvang van appellantes vakantie
op deze datum moet worden gesteld. Deze datum moet ingevolge juist
vermelde rechtspraak worden aangemerkt als de dag waarop het recht van
appellante op WW-uitkering herleeft; ten aanzien van haar deed zich op
die datum geen uitsluitingsgrond voor. Gelijk uit deze uitspraak blijkt
is de Raad voorts van oordeel dat ingeval een werknemer vakantie geniet
welke blijft binnen de duur van de periode die krachtens artikel 19,
vijfde lid, aanhef en onder b, van de WW voor hem geldt, die werknemer
niet op de enkele grond dat hij vakantie geniet kan worden tegengeworpen
dat hij niet beschikbaar is om arbeid aanvaarden en dat hij om deze
reden niet werkloos kan worden geacht met als gevolg dat hij geen recht
heeft op WW-uitkering. Uit het feit dat de wetgever de mogelijkheid
heeft geopend dat met behoud van uitkering vakantie wordt genoten,
blijkt immers dat hij heeft gewild dat de betrokken werknemer recht op
uitkering behoudt ondanks het feit dat hij niet beschikbaar is voor
arbeid, nu het genieten van vakantie immers in beginsel in de weg staat
aan het beschikbaar zijn voor arbeid. Een andere opvatting zou de zin
aan de Vakantieregeling ontnemen. Tenslotte heeft de Raad in die
uitspraak overwogen dat de in artikel 19, vijfde lid, aanhef en onder b,
van de WW gebruikte formulering niet meebrengt dat slechts dan met
behoud van uitkering vakantie kan worden genoten indien voor de aanvang
van de vakantie recht op WW-uitkering bestond. De formulering “met
behoud van zijn recht op uitkering vakantie kan genieten” verstaat de
Raad aldus dat daarmee wordt bedoeld dat tijdens het genieten van de
vakantie die blijft binnen de duur van de periode welke krachtens
artikel 19, vijfde lid, aanhef en onder b, van de WW is vastgesteld er
recht op uitkering bestaat. Er is immers geen reden om aan te nemen dat
de wetgever heeft beoogd om door middel van deze formulering aan degenen
die bijvoorbeeld aansluitend op het einde van het werk op vakantie gaan,
de mogelijkheid te onthouden om gedurende enige tijd “met behoud”
van uitkering met vakantie te gaan. Dit laatste geldt ook in een geval
als dat van appellante waarin de betrokkene, aan wie eerder recht is
toegekend op een uitkering ingevolge de WW, aansluitend op een periode
waarin een uitkering ingevolge de ZW is ontvangen, met vakantie gaat.
4.4. Nu gedaagde ervan is uitgegaan dat appellante in de periode van 17
juni 2003 tot en met 8 juli 2003 geen recht heeft op uitkering ingevolge
de WW op de enkele grond dat zij in deze periode niet beschikbaar is
geweest om arbeid aanvaarden, ontbeert het bestreden besluit een
deugdelijke motivering, en is dit besluit gegeven in strijd met artikel
7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit besluit
kan dan ook niet in rechte standhouden. Ook de aangevallen uitspraak
waarbij dit besluit in stand is gelaten komt voor vernietiging
aanmerking.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing artikel 8:75 van de
Awb inzake de vergoeding van proceskosten, nu van dergelijke kosten niet
is gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt, met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door
appellante betaalde griffierecht van in totaal € 133,-- (€ 31,-- +
€ 102,--) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H.G. Rottier
en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2006.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) C.D.A. Bos.
|
|