|
Uitspraak
04/3130 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. A.P.G.J.A. Wijnans, advocaat te Dongen, op
bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld
tegen een op 12 mei 2004, onder nr. 03/1281 WW, door de rechtbank Breda
tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer van de
Raad van 11 oktober 2005. De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen
naar de meervoudige kamer.
Het geding is behandeld ter zitting van 14 december 2005, waar appellant
in persoon is verschenen, bijgestaan door bovengenoemde gemachtigde en
waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. K.M. Nouws,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2.1. Appellant is op 21 april 1999 als monteur in dienst getreden van
[naam werkgever] te [vestigingsplaats] (hierna: [naam werkgever]) op
basis van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het
Burgerlijk Wetboek (BW). Deze overeenkomst is zonder onderbrekingen
verschillende malen voortgezet totdat appellant op 17 mei 2002 per 20
mei 2002 ontslag nam teneinde bij [naam werkgever 2] te [vestigingsplaats] (hierna: [naam werkgever 2]) te
gaan werken. Nadat was gebleken dat het project waarop laatstgenoemde
werkgever appellant had willen plaatsen niet doorging, is appellant per
27 mei 2002 opnieuw bij [naam werkgever] als uitzendkracht in dienst
getreden op basis van een uitzendovereenkomst als eerder vermeld. Per 28
oktober 2002 is aan dit dienstverband wegens einde werk een eind
gekomen.
2.2. Naar aanleiding van de aanvraag van appellant om uitkering
krachtens de WW heeft gedaagde hem bij besluit van 25 november 2002 bericht, dat deze uitkering blijvend geheel wordt
geweigerd, omdat appellant per 20 mei 2002 verwijtbaar werkloos is
geworden en het karakter van de aldus ontstane werkloosheid - nu hij
korter dan 26 weken in het laatste dienstverband heeft gewerkt -
doorwerkt in de per 28 oktober 2002 ontstane werkloosheid. Verminderde
verwijtbaarheid acht gedaagde niet aanwezig.
2.3. Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft
gedaagde bij besluit van 21 mei 2003 (hierna: het bestreden besluit)
ongegrond verklaard.
2.4. Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Daarbij heeft appellant gesteld dat van hem niet gevergd kon worden om
bij [naam werkgever] te blijven werken omdat de bedrijfseconomische
situatie van het bedrijf slecht was. Ten aanzien van verschillende
collega’s was ten tijde van zijn ontslagname een ontslagprocedure
gestart. Bovendien had hij een toezegging van werkgever [naam werkgever
2] dat hij bij deze werkgever zou kunnen gaan werken, ten bewijze
waarvan hij een brief van deze werkgever van 15 mei 2002 heeft
overgelegd.
3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de
rechtbank overwogen, dat er geen sprake was van een situatie waarin
appellant geen andere keuze had dan ontslag te nemen. Dat een aantal
collega’s zou worden ontslagen zegt niets over de mogelijkheid voor
appellant om bij [naam werkgever] te blijven werken, terwijl appellant
daar ook na 27 mei 2002 nog gedurende bijna vijf maanden feitelijk heeft
gewerkt. Het enkele feit dat van de zijde van [naam werkgever], althans
volgens appellant, gezegd zou zijn dat het een aflopende zaak was, doet
daar niet aan af. In elk geval was er voor appellant geen gegronde reden
om ontslag te nemen zonder zekerheid te hebben omtrent een nieuwe
dienstbetrekking.
4. Namens appellant zijn in hoger beroep voornamelijk de in eerste
aanleg aangevoerde stellingen herhaald.
5. De Raad oordeelt als volgt.
5.1. De Raad stelt allereerst vast dat, naar ter zitting is gebleken,
tussen partijen niet in geschil is dat op de dienstverbanden met [naam
werkgever] de NBBU-CAO van toepassing was. De Raad stelt tevens vast dat
het bestreden besluit is gebaseerd op de stelling, dat appellant zich
ten tijde van zijn ontslagname bij [naam werkgever] per 20 mei 2002,
gelet op de toepasselijke CAO, in de zogenoemde fase 4 bevond, hetgeen
inhield dat zijn dienstverband er één was voor onbepaalde tijd. Indien
appellant geen ontslag had genomen, had [naam werkgever] zijn
dienstverband in elk geval niet zonder meer per 28 oktober 2002 kunnen
beëindigen met een beroep op het bepaalde in artikel 7:691, tweede lid,
van het BW. Per 27 mei 2002, was blijkens de met [naam werkgever]
gesloten overeenkomst immers weer sprake van een zogenoemd fase 1-
overeenkomst.
5.2. De Raad merkt vervolgens op dat het bestreden besluit niet is
gebaseerd op een oordeel van gedaagde over de verwijtbaarheid van de beëindiging
van de met ingang van 27 mei 2002 aangegane dienstbetrekking met [naam
werkgever] per 28 oktober 2002, zodat de vraag of appellant daartegen jegens [naam
werkgever] rechtsmaatregelen had kunnen nemen hier niet aan de orde is.
Uit vaste jurisprudentie van de Raad blijkt dat in een dergelijke
situatie ter beantwoording van de vraag of de werknemer de werkloosheid
kan worden verweten, mede de omstandigheden in aanmerking kunnen worden
genomen waaronder de voorafgaande dienstbetrekking is geëindigd. Dit
betekent dat beoordeeld dient te worden of appellant zijn
dienstbetrekking bij [naam werkgever] per 20 mei 2002 heeft beëindigd
zonder dat aan de voortzetting daarvan zodanige bezwaren zijn verbonden,
dat deze voortzetting niet van hem zou kunnen worden gevergd. In een
geval als het onderhavige, waarbij een werknemer ontslag neemt met het
oog op een andere werkkring, dient daarbij te worden bezien of de keuze
voor een eventuele andere dienstbetrekking zodanig lichtvaardig is te
achten dat die keuze hem vanuit het oogpunt van de toepassing van de WW
kan worden verweten.
5.3. De Raad kan hetgeen door de rechtbank is overwogen en beslist
onderschrijven. Ook de Raad is niet gebleken dat er voor appellant een
acute noodzaak bestond om ontslag te nemen. Dat de positie van appellant
bij [naam werkgever] niet (direct) in geding was, blijkt reeds uit het
feit dat hij na 27 mei 2002 nog vijf maanden bij dezelfde werkgever
heeft gewerkt. De door appellant in het geding gebrachte brief van 15
mei 2002 van [naam werkgever 2] spreekt slechts over het voornemen om
hem in dienst te nemen en over de grote mate van waarschijnlijkheid van
het verwerven van een order door deze werkgever. Zekerheid over een
dienstverband bij die werkgever bestond er dus voor appellant niet, in
elk geval niet een zodanige mate van zekerheid dat het gerechtvaardigd
was om ontslag te nemen bij [naam werkgever].
5.4. Het voorgaande betekent dat gedaagde terecht heeft aangenomen dat
appellant verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24,
eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef
en onder b, van de WW. Omstandigheden op grond waarvan gesteld kan
worden dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid zijn naar het
oordeel van de Raad niet aanwezig.
Dringende redenen op grond waarvan van het opleggen van een maatregel
zou kunnen worden afgezien zijn gesteld noch gebleken.
5.5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht omtrent de
vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. C.P.J.
Goorden en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van S. l’
Ami als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2006.
(get.) T. Hoogenboom.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te tekenen.
|
|