|
Uitspraak
05/1042 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden,
hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 13
december 2004, nr. WW 04/1759, tussen partijen gegeven uitspraak,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 18 januari 2006, waar voor
appellant is verschenen mr. P.H. van Akenborgh, advocaat te Rotterdam,
en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W.M.J.
Evers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde
feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.
De Raad volstaat met het volgende.
Bij besluit van 4 februari 2004 heeft gedaagde de door appellant
aangevraagde WW-uitkering met ingang van 15 december 2003 blijvend
geheel geweigerd, op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is
geworden. Dit besluit is, na daartegen gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij
besluit van 10 mei 2004, hierna: het bestreden besluit. Gedaagde heeft
daarbij in aanmerking genomen dat appellant, nadat hij in juli 2003 al
een laatste waarschuwing kreeg, op 20 oktober 2003 een reeks nieuwe
incidenten heeft veroorzaakt, bestaande uit het te laat op het werk
verschijnen, het tijdens werktijd huiswaarts keren om bedrijfskleding
aan te trekken en het niet bezorgen van postpakketten.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant
tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De Raad overweegt het volgende.
In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank
terecht heeft geoordeeld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden
als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder a, in verbinding met het
tweede lid, aanhef en onder a, van de WW.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.
Appellant heeft erkend dat hij op 20 oktober 2003 te laat op het werk is
verschenen, tijdens werktijd huiswaarts is gekeerd om bedrijfskleding
aan te trekken en niet alle voor die dag bestemde postpakketten heeft
bezorgd. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat appellant
zich door deze handelwijze jegens zijn werkgever zodanig verwijtbaar
heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit
gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen
hebben. In dit verband acht de Raad van betekenis dat appellant, zoals
door zijn toenmalige gemachtigde is erkend in de brief van 24 oktober
2003, in juli 2003 van zijn werkgever een laatste waarschuwing heeft
gekregen en hij, gelet daarop, diende te begrijpen dat hij zich,
ongeacht de aan de waarschuwing ten grondslag liggende feiten, dan wel
de duur van zijn dienstverband en zijn leeftijd, geen misstappen meer
kon permitteren. De omstandigheid dat de werkgever het ontslag op
staande voet heeft ingetrokken en de kantonrechter op grond van het door
de werkgever ingediende verzoekschrift de arbeidsovereenkomst van
appellant per 15 december 2003 heeft ontbonden wegens gewichtige
redenen, bestaande uit een verschil van inzicht omtrent de wijze waarop
de functie van appellant ingevuld dient te worden, staat er niet aan in
de weg dat gedaagde, gelet op de relevante feiten en omstandigheden, tot
de in het bestreden besluit gehandhaafde opvatting komt dat appellant
verwijtbaar werkloos is geworden. De voorhanden zijnde gegevens bieden
ook naar het oordeel van de Raad voor die opvatting genoegzaam steun.
Hetgeen appellant overigens nog heeft aangevoerd, heeft de Raad niet tot
een andersluidend oordeel kunnen brengen.
De Raad is tenslotte met de rechtbank van oordeel dat gedaagde er in het
bestreden besluit terecht vanuit is gegaan dat niet gezegd kan worden
dat appellant het niet nakomen van de verplichting om te voorkomen dat
hij verwijtbaar werkloos zou worden niet in overwegende mate kan worden
verweten.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H. Bolt en
mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2006.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) O.C. Boute.
|
|