|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/1238 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15
februari 2005, nr. AWB 04/1748, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 18 januari 2006, waar appellant
niet is verschenen en waar gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen
door mr. R.A. van de Berkt, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de
hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen,
zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Gedaagde heeft appellant met ingang van 1 januari 2002 een uitkering
ingevolge de WW toegekend, gebaseerd op een gemiddeld arbeidsurenverlies
van 40 uur per week.
3. Bij het op bezwaar genomen besluit van 6 juli 2004 (het bestreden
besluit) heeft gedaagde zijn besluit van 25 maart 2004 gehandhaafd,
waarbij de WW-uitkering van appellant met ingang van 24 maart 2003
gedurende 52 weken bij wijze van maatregel is verlaagd met 20%.
Het bestreden besluit is gebaseerd op de overweging dat appellant, nu
vaststaat dat hij in de periode van 25 februari 2003 tot en met 21 maart
2004 niet als werkzoekende ingeschreven heeft gestaan bij de Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), niet heeft voldaan aan het gestelde
in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW, dat de
werknemer verplicht is zich als werkzoekende bij de CWI te laten
registreren en die registratie tijdig te doen verlengen.
4. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep
uitvoerig gemotiveerd ongegrond verklaard. Tussen partijen is niet in
geschil dat appellant zijn inschrijving bij de CWI niet tijdig heeft
doen verlengen tengevolge waarvan de inschrijving is beëindigd.
Derhalve staat vast dat appellant niet heeft voldaan aan de verplichting
neergelegd in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW.
Aangezien appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn inschrijving
bij de CWI is beëindigd door buiten zijn toedoen liggende oorzaken, is
er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van verminderde
verwijtbaarheid of het ontbreken van verwijtbaarheid. Ook het beroep op
dringende redenen om van het opleggen van een maatregel af te zien is
door de rechtbank verworpen.
5. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in
haar oordeel over het bestreden besluit.
5.1. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Hetgeen appellant in
hoger beroep heeft aangevoerd, bevat in vergelijking met de stellingen
in eerste aanleg geen nieuwe gezichtspunten, terwijl hetgeen door de
rechtbank is vastgesteld en overwogen door de Raad wordt onderschreven.
Voor zover appellant in hoger beroep klaagt over de omstandigheid dat
van hem een bedrag van € 7.200,-- wordt teruggevorderd, merkt de Raad
op dat hij daarover geen oordeel kan uitspreken nu het bestreden besluit
niet handelt over de terug- en invordering van onverschuldigd betaalde
uitkering.
6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat
de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
7. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht acht de Raad acht geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen, in tegenwoordigheid van L.
Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 maart
2006.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) L. Karssenberg.
|
|