|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/4423 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 27
juni 2005 onder kenmerk 04/1800 door de rechtbank Maastricht gewezen
uitspraak (hierna: de aangevallen uitspraak).
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 maart
2006, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 20 januari 2000 heeft gedaagde aan appellant met ingang
van 3 januari 2000 een uitkering in de zin van de Werkloosheidswet (WW)
toegekend.
Bij besluit van 24 februari 2000 heeft gedaagde het besluit van 20
januari 2000 ingetrokken en aan appellant met ingang van 2 december 1999
een uitkering in de zin van de WW toegekend.
Bij brief van 20 augustus 2004 heeft appellant tegen het besluit van 24
februari 2000 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 11 oktober 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 24 februari 2000 niet-ontvankelijk verklaard wegens
overschrijding van de bezwaartermijn.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 11 oktober 2004 ongegrond verklaard en daarbij geoordeeld
dat hetgeen door appellant is aangevoerd geen reden is de
termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
De Raad overweegt als volgt.
Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de
termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken
bedraagt. Ingevolge artikel 6:8 van de Awb vangt die termijn aan met
ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze
is bekend gemaakt.
De termijn is derhalve aangevangen op 25 februari 2000 en geëindigd op
6 april 2000. Hieruit volgt dat het bezwaar van appellant van 20
augustus 2004 na afloop van de termijn is ingediend.
Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop
van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op
grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden
geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding de
termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Volgens vaste
jurisprudentie van deze Raad dienen onbekendheid met de regelgeving, de
geringe ervaring van appellant in deze materie en het handelen en/of
nalaten van de door appellant ingeschakelde rechtshulpverleners voor
zijn risico te blijven.
De rechtbank is derhalve tot een juist oordeel gekomen, zodat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van mr. M.
Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2006.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) M. Renden.
|
|