|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/4767 WW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 juli 2004, 03/1485
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
en
appellant.
Datum uitspraak: 19 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. F.H. Kuiper, advocaat te Maastricht, een
verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2006.
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs,
medewerker bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Gedaagde is, daartoe vanwege de Raad opgeroepen, verschenen, bijgestaan
door mr. B.C.A. Reijnders, kantoorgenoot van mr. Kuiper.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 30 oktober 2002 heeft appellant de aan betrokkene per 3
maart 1997 en 2 maart 1998 toegekende WW-uitkeringen ingetrokken. Bij
het besluit van 1 december 2003 heeft appellant de daartegen gerichte
bezwaren ongegrond verklaard. Voor de feiten en de overwegingen die tot
dat besluit hebben geleid, volstaat de Raad te verwijzen naar zijn
heden, onder nummer 04/4766, gedane uitspraak. In verband met die
intrekking heeft appellant bij besluit van 13 januari 2003 van
betrokkene een bedrag van € 120.262,83 aan ten onrechte uitbetaalde
WW-uitkering teruggevorderd.
De tegen die terugvordering gerichte bezwaren heeft appellant bij
besluit van 1 december 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond
verklaard.
Namens betrokkene is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De
rechtbank heeft dat beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij
overwogen dat de basis voor de terugvordering is gevormd door het
besluit van 1 december 2003. Aangezien de rechtbank bij uitspraak van 12
juli 2004 dat besluit had vernietigd, ontviel naar het oordeel van de
rechtbank de grondslag aan het bestreden besluit.
Bij uitspraak van heden in de procedure onder nummer 04/4766 heeft de
Raad geoordeeld dat de rechtbank op onjuiste gronden heeft geoordeeld
dat het bestreden besluit in die procedure diende te worden vernietigd.
De Raad heeft tevens geoordeeld dat de grondslag van het bestreden
besluit in die procedure onjuist was. Daarbij heeft de Raad echter
tevens geoordeeld dat appellant desalniettemin op andere gronden de
conclusie kon trekken dat aan betrokkene ten onrechte WW-uitkeringen
waren gedaan, om welke reden de Raad van oordeel was dat de
rechtsgevolgen van het bestreden besluit in die procedure in stand
konden blijven. Dit brengt derhalve mee dat appellant tevens gehouden
was om hetgeen ten onrechte aan betrokkene is betaald, terug te
vorderen. De Raad ziet geen aanleiding om te concluderen dat er
dringende redenen zijn die appellant zouden noodzaken om de
terugvordering van hetgeen ten onrechte is uitgekeerd te matigen, dan
wel om daar van af te zien. Dit leidt de Raad derhalve tot het oordeel
dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat de rechtbank
dat besluit ten onrechte heeft vernietigd. De aangevallen uitspraak komt
derhalve voor vernietiging in aanmerking en de Raad zal, doende wat de
rechtbank had behoren te doen, het beroep alsnog ongegrond verklaren.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond
van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en C.P.J.
Goorden en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van B. van Zoelen-Altunc als griffier, uitgesproken in het openbaar op
19 april 2006.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) B. van Zoelen-Altunc.
|
|