|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/5560 WW en 04/5561 WW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
1. de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (hierna: appellant 1) en van
2. de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: appellant
2)
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 27 september 2004,
04-198 en 199 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
en
appellanten.
De Stichting Het Maatman (hierna: belanghebbende) heeft als partij aan
het geding deelgenomen.
Datum uitspraak: 19 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij brief van 5 januari 2006 heeft appellant vragen van de Raad
beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2006.
Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. D.R. Abdoelhak,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. J.B.J. de Bruyn, advocaat
te Lochem. Belanghebbende heeft zich laten vertegen-woordigen door [naam
directeur], directeur van [de school te E.]
II. OVERWEGINGEN
1. Betrokkene is in april 1988 in dienst getreden van belanghebbende. Op
28 januari 2002 is hij op staande voet ontslagen. Dit ontslag is op 26
april 2002 ingetrokken, waarna belanghebbende de kantonrechter heeft
verzocht de arbeidsovereenkomst met betrokkene te ontbinden op grond van
gewichtige redenen.
Nadat betrokkene verweer had gevoerd heeft de kantonrechter bij
beschikking van 24 mei 2002 de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1
augustus 2002, onder toekenning van een vergoeding aan betrokkene van
€ 70.000,-- bruto.
1.2. Bij besluiten van 1 september 2003 hebben appellanten betrokkene
met ingang van 1 juni 2003 uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet
(WW), respectievelijk het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling
voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en
beroepsonderwijs (Bbwo) toegekend.
1.3. Het hiertegen door belanghebbende ingediende bezwaar is bij de
bestreden besluiten van 9 januari 2004 gegrond verklaard. Appellant 1
heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende voldoet aan de
voorwaarden om in aanmerking te komen voor een WW- uitkering, maar dat
deze uitkering op de voet van artikel 22b van de WW met ingang van 12
januari 2004 blijvend geheel moet worden geweigerd wegens verwijtbare
werkloosheid. Naar de mening van appellant 1 heeft betrokkene zich
verwijtbaar zodanig gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten
begrijpen, dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot
gevolg zou kunnen hebben.
Appellant 2 heeft in navolging hiervan de Bbwo-uitkering eveneens met
ingang van 12 januari 2004 blijvend geheel geweigerd.
2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene gegrond verklaard, de
bestreden besluiten vernietigd, het bezwaar van belanghebbende tegen de
besluiten van 1 september 2003 niet-ontvankelijk verklaard en
beslissingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met het indienen
van een bezwaarschrift en het aan appellanten melden van de ware
toedracht van de zaak, waarbij zij zich sterk negatief heeft uitgelaten
over betrokkene en argumenten heeft gebezigd die passen bij ontslag op
staande voet, misbruik gemaakt van haar recht om bij appellanten
voorziening te vragen tegen de besluiten van 1 september 2003. Gezien
hetgeen was overeengekomen tussen betrokkene en belanghebbende en het
aanmerkelijk belang van betrokkene bij een WW-uitkering, mocht
betrokkene er naar het oordeel van de rechtbank op vertrouwen dat
belanghebbende geen rechtsmiddel zou aanwenden tegen een besluit van
appellanten, aan welk besluit de opvatting ten grondslag ligt dat
betrokkene niet verwijtbaar werkloos was geworden.
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:
Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de
rechtbank.
Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van
belang, dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit
beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in
te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.
Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder belanghebbende
wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is
betrokken.
3.2. Een bezwaar tegen een besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard
indien degene die bezwaar heeft gemaakt niet heeft voldaan aan de in de
Awb neergelegde vereisten met betrekking tot de ontvankelijkheid van het
bezwaar. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende als
belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb moet worden
aangemerkt, aangezien de kosten van de aan betrokkene toegekende WW- en
Bbwo-uitkering op haar als werkgever worden verhaald, zodat de
toekenning van die uitkeringen haar financiële positie rechtstreeks beïnvloedt.
Evenmin is in geschil dat belanghebbende nog steeds belang heeft bij een
oordeel over betrokkenes recht op een WW- en Bbwo-uitkering.
3.3. De Raad ziet geen aanleiding hierover anders te oordelen. De Raad
merkt hierbij op dat hij voor het antwoord op de vraag of het
procesbelang van belanghebbende op enig moment is vervallen niet
relevant acht dat het Participatiefonds voor het Voortgezet Onderwijs
aan belanghebbende de kosten waarvoor zij kwam te staan heeft vergoed.
Dat doet aan het feit dat belanghebbende eigen risicodrager is immers
niet af.
3.4. Voorts voldoet belanghebbende onbetwist aan de overige in de Awb
neergelegde vereisten voor de ontvankelijkheid van het bezwaar. Naar het
oordeel van de Raad bestond in dit geval daarnaast geen grondslag voor
het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar van belanghebbende.
Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het recht van
belanghebbende om bezwaar te maken tegen de besluiten van 1 september
2003 niet werd begrensd door haar na de ontbinding van de
arbeidsovereenkomst ontstane rechtsverhouding met betrokkene, noch door
eventuele in het kader van de ontbindingsprocedure gemaakte
civielrechtelijke afspraken. De Raad voegt hieraan toe dat deze aspecten
bij de beoordeling van de bezwaren aan de orde kunnen komen en aldus van
invloed kunnen zijn op de uitkomst van die beoordeling.
3.5. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak geen stand
kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad acht, mede
gelet op het verhandelde ter zitting, een inhoudelijke rechterlijke
beoordeling van de bestreden besluiten aangewezen en zal ter voorkoming
van het verlies van een instantie de zaak terugwijzen naar de rechtbank
Zutphen.
4. Nu de rechtbank zich omtrent de inhoudelijke aspecten van de zaak nog
dient uit te spreken, ziet de Raad aanleiding appellanten op grond van
artikel 8:75 van de Awb voorwaardelijk - voor het geval de bestreden
besluiten niet in stand kunnen blijven - te veroordelen in de
proceskosten van betrokkene en belanghebbende in hoger beroep. Deze
kosten worden voor betrokkene begroot op € 644,-- aan kosten van
verleende rechtsbijstand en op € 29,-- aan reiskosten en voor
belanghebbende op € 483,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger
beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak terug naar de rechtbank Zutphen.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en
B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.
Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) P. Boer.
|
|