|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/6440 WW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 22 september 2005,
04/1379 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 7 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.B.Th. Koekkoek, werkzaam bij de Hout-en
Bouwbond CNV, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2006, waar
appellant - met bericht - niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten
vertegenwoordigen door A.B. Froentjes, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende gegevens.
2.1. Appellant heeft van 16 juni 2003 tot en met 7 november 2003 als
timmerman gewerkt bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats]. Aan
appellant is vervolgens met ingang van 10 november 2003 een WW-uitkering
toegekend, welke uitkering bij besluit van 17 augustus 2004 met ingang
van 16 augustus 2004 is gekort met 20% gedurende 16 weken op de grond
dat appellant zich niet had gehouden aan de verplichting neergelegd in
artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW. Deze
verplichting houdt in dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of
blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te
verkrijgen.
2.2. Op het werkbriefje, dat betrekking had op de periode van 19 juli
2004 tot en met 15 augustus 2004, heeft appellant één sollicitatie
vermeld. Op de vraag waarom hij in de afgelopen vier weken niet
tenminste vier sollicitaties heeft verricht heeft hij geantwoord dat er
vakantie is in de bouw en dat in verband daarmee geen bouwbedrijven
bereikbaar zijn.
2.3. Bij besluit van 20 oktober 2004, het bestreden besluit, heeft het
Uwv het bezwaar tegen het besluit van 17 augustus 2004 ongegrond
verklaard en de opgelegde maatregel gehandhaafd. Daartoe is overwogen
dat het informeren naar werk bij uitzendbureaus waar appellant reeds
is ingeschreven niet als een concrete sollicitatieactiviteit geldt. Aan
het werken voor een uitzendbureau is onlosmakelijk het risico van gehele
of gedeeltelijke werkloosheid verbonden. Van appellant wordt in zo’n
situatie verwacht dat hij al het mogelijke doet om arbeid op een meer
duurzame basis te verkrijgen en dat hij tenminste gemiddeld één
concrete sollicitatie per week verricht.
3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de
aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe
overwogen dat vaststaat dat appellant in de in geding zijnde periode
alleen in de eerste week een sollicitatie heeft verricht en gedurende
twee dagen heeft gewerkt. Met betrekking tot hetgeen appellant heeft
aangevoerd over de omstandigheid dat hij vanwege bouwvakvakantie geen
vacatures kon vinden heeft zij overwogen dat dit onverlet laat dat hij
bijvoorbeeld open sollicitaties had kunnen schrijven of werkgevers
(buiten de bouw) spontaan had kunnen bezoeken. Van bijzondere
omstandigheden op grond waarvan appellant zijn sollicitatieverplichting
niet kon nakomen is de rechtbank niet gebleken. Voorts heeft de
rechtbank overwogen dat, nu appellant de in artikel 24, eerste lid,
aanhef en onder b, ten eerste, van de WW neergelegde verplichting niet
is nagekomen, het Uwv gehouden was een maatregel op te leggen. In de
door appellant aangevoerde omstandigheden heeft de rechtbank geen
aanleiding gezien te oordelen dat het Uwv de bij het bestreden besluit
opgelegde maatregel had dienen te matigen, terwijl er voorts niet is
gebleken van dringende redenen zoals bedoeld in artikel 27, zesde lid,
van de WW.
4. Appellant heeft in hoger beroep met betrekking tot het bestreden
besluit in vergelijking met hetgeen reeds eerder is aangevoerd geen
wezenlijke nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. De Raad onderschrijft het oordeel dat de rechtbank over het
bestreden besluit heeft gegeven en verenigt zich met de overwegingen die
de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. Gelet op de duur van de
werkloosheid van appellant mocht het Uwv van appellant verlangen dat hij
zich, teneinde niet langer werkloos te blijven, breder op de
arbeidsmarkt zou opstellen en ook zou uitzien naar andere functies dan
die van timmerman. De Raad kent in dit verband betekenis toe aan de
omstandigheid dat, zoals uit de stukken blijkt, het Centrum voor Werk en
Inkomen appellant heeft ingedeeld in fase 1, hetgeen betekent dat de
afstand tot de arbeidsmarkt als vrij klein moet worden aangemerkt, en
dat appellant, zelfs met het door hem gestelde omtrent diens leeftijd en
eenzijdige arbeidsverleden, over voldoende kwaliteiten beschikt om
passende arbeid te verkrijgen. Om die reden rust op het Uwv niet de
verplichting om nader onderzoek te doen naar de zich ten tijde van
belang voordoende vacatures in de voor appellant passende arbeid. Voorts
merkt de Raad nog op dat hij reeds diverse malen heeft geoordeeld dat
het niet in strijd is met een juiste uitleg van artikel 24, eerste lid,
aanhef en onder b, ten eerste, van de WW dat het Uwv van een werkloze
werknemer verlangt dat deze in beginsel ten minste vier concrete en
verifieerbare sollicitaties per beoordelingsperiode van vier weken
verricht. Van uitzonderlijke individuele omstandigheden op grond waarvan
moet worden geconcludeerd dat voor appellant de sollicitatieplicht niet
opgaat is ook de Raad niet gebleken. De Raad wijst er tenslotte nog op
dat hij met het Uwv van oordeel is dat alleen het langsgaan bij een
uitzendbureau waar een werknemer is ingeschreven niet als een concrete,
verifieerbare sollicitatie kan worden aangemerkt.
5.2. Het hoger beroep van appellant treft derhalve geen doel zodat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 7 juni 2006.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) L. Karssenberg.
|
|