|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/6237 WW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 september
2005, 04/1087 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 7 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft E.J.L. van Dal, echtgenoot van appellante, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2006. Namens
appellante is verschenen E.J.L. van Dal voornoemd. Het Uwv heeft zich
laten vertegenwoordigen door mr. J.J.C. Röttjers, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Appellante was werkzaam als zorgassistente. Op 6 november 2002 is zij
wegens psychische klachten uitgevallen voor haar werk. Haar
dienstverband is met ingang van 30 april 2003 geëindigd in verband met
het aflopen van het contract. Appellante is per einde wachttijd in het
kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO)
minder dan 15 procent arbeidsongeschikt geacht. Bij brief van 14 oktober
2003 is dit door de arbeidsdeskundige aan appellante bevestigd. Bij
besluit van 1 december 2003 is aan appellante meegedeeld dat geen recht
op WAO-uitkering wordt toegekend. Tegen dit besluit heeft appellante
rechtsmiddelen aangewend.
3. Op 9 november 2003 heeft appellante een aanvraag ingediend om in
aanmerking te komen voor een WW-uitkering. Naar aanleiding van het door
appellante ingeleverde werkbriefje over de periode 3 november 2003 tot
en met 16 november 2003 heeft een medewerker van het Uwv op 24 november
2003 telefonisch geïnformeerd naar de beschikbaarheid van appellante en
haar sollicitatieactiviteiten.
Bij besluit van 26 november 2003 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld
dat geen recht op WW-uitkering bestaat, omdat zij heeft aangegeven niet
in staat of bereid te zijn werk te aanvaarden of te verrichten, zodat
zij niet werkloos is in de zin van de WW.
4. Bij het bestreden besluit van 1 april 2004 heeft het Uwv de
beslissing van 26 november 2003 gehandhaafd. Daartoe heeft het Uwv
overwogen dat appellante niet beschikbaar is voor arbeid omdat
appellante op het aanvraagformulier heeft verklaard dat zij aansluitend
aan de Ziektewet niet beschikbaar was en niet heeft gesolliciteerd omdat
zij langdurig ziek was. Voorts heeft appellante tijdens het
telefoongesprek van 24 november 2003 verklaard dat zij zich niet
geschikt achtte om te werken en dat haar echtgenoot af en toe
sollicitatiebrieven schreef vanwege de sollicitatieplicht, maar dat zij
zich niet in staat achtte om op gesprek te gaan, aldus het bestreden
besluit.
5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond
verklaard.
Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit het WW-aanvraagformulier
blijkt dat appellante zich niet beschikbaar stelde noch wilde stellen
voor arbeid omdat zij zich te ziek achtte. In het telefoongesprek op 24
november 2003 heeft appellante nogmaals aangegeven dat zij zich niet
beschikbaar stelde aangezien zij zich nog te ziek achtte.
De rechtbank heeft daarbij geen waarde gehecht aan de mededeling van de
echtgenoot van appellant dat dit gesprek niet met appellante is gevoerd
maar met hem, aangezien dit standpunt pas laat is aangevoerd en strijdig
is met de telefoonnotitie van het Uwv. Bovendien is de inhoud van dat
telefoongesprek niet weersproken.
Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige van 14 oktober 2003 blijkt
dat appellante er op is gewezen dat zij zich beschikbaar moest stellen
voor de arbeidsmarkt, hetgeen nogmaals is bevestigd bij brief van 14
oktober 2003. Appellante is dan ook voldoende gewezen op de verplichting
om zich beschikbaar te stellen voor de arbeidsmarkt. De rechtbank is dan
ook van oordeel dat ondubbelzinnig vaststaat dat appellante door houding
en gedrag duidelijk en eenduidig te kennen heeft gegeven, althans heeft
doen blijken, dat zij zich niet beschikbaar stelde of wilde stellen voor
de arbeidsmarkt. De overgelegde sollicitatiebrieven brengen de rechtbank
niet tot een ander oordeel nu hieruit geen reële beschikbaarheid van
appellante kan worden afgeleid.
6. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij zich in november
2003 nog niet beschikbaar kon stellen omdat zij nog in afwachting was
van het WAO-besluit. Voorts heeft appellante gesteld dat zij aan de
voorwaarden voldoet om in aanmerking te komen voor WW-uitkering omdat
zij in het kader van de WAO-beoordeling geschikt verklaard was voor het
verrichten van passende werkzaamheden. Zij heeft voorts betoogd dat zij
heeft gedaan wat er van haar verlangd werd. Zij heeft zich telkens
geheel uit vrije wil gemotiveerd en structureel beschikbaar gesteld door
middel van de ingevulde werkbriefjes en de sollicitatiebrieven. Ten
slotte blijft appellante bij het standpunt dat er geen bewijs is dat het
telefoongesprek van 24 november 2003 met haar persoonlijk is gevoerd.
7. De Raad overweegt als volgt.
7.1. Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW stelt als
voorwaarde om als werkloos in de zin van de WW te worden aangemerkt dat
de werknemer beschikbaar is om arbeid te aanvaarden. Ingevolge vaste
jurisprudentie, onder meer de uitspraak van de Raad van 24 april 1990,
LJN ZB2018, RSV 1990/224, is een werknemer niet beschikbaar om arbeid te
aanvaarden indien ondubbelzinnig vaststaat dat de betrokken werknemer
door houding en gedrag duidelijk en eenduidig te kennen heeft gegeven,
althans heeft doen blijken, dat hij zich niet voor arbeid op de
arbeidsmarkt beschikbaar stelt noch wil stellen. Voor de beoordeling van
de beschikbaarstelling mag het Uwv in beginsel afgaan op de opgave van
de verzekerde op het aanvraagformulier. Het is in dat geval aan de
verzekerde zelf om genoegzaam aan te tonen dat de verstrekte gegevens
geen goed beeld van de werkelijkheid geven, zie de uitspraak van de Raad
van 28 april 1998, LJN ZB7667, RSV 1998/221.
Gezien deze jurisprudentie betekent het feit dat appellante in het kader
van de WAO geschikt verklaard is voor passende werkzaamheden niet dat
zij daarmee beschikbaar is voor de arbeidsmarkt in de zin van de WW.
Daarvoor is vereist dat appellante daadwerkelijk actief solliciteerde en
bereid was arbeid te aanvaarden.
7.2. De Raad is van oordeel dat appellante er niet in is geslaagd aan te
tonen dat de door haar verstrekte informatie geen goed beeld van de
werkelijkheid gaf. Uit de stukken is daarentegen genoegzaam gebleken dat
zij niet reëel beschikbaar was. Immers, op het aanvraagformulier heeft
appellante aangegeven dat zij niet beschikbaar is en niet heeft
gesolliciteerd omdat zij langdurig ziek is. Voorts blijkt uit het
rapport van het telefoongesprek van 24 november 2003 eveneens dat
appellante zich niet beschikbaar stelt omdat zij nog ziek is. Zij heeft
bovendien opgemerkt dat haar echtgenoot sollicitatiebrieven schrijft
maar dat zij niet op een sollicitatiegesprek kan, zodat appellante
feitelijk niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Wat er ook van zij
van de stelling van appellante dat de medewerker van het Uwv niet met
haar maar met haar echtgenoot heeft gesproken, de Raad ziet geen reden
om aan de inhoud van het telefoonrapport van het Uwv te twijfelen.
Appellante heeft niet duidelijk kunnen maken dat zij wel beschikbaar
was.
Ten slotte is ook tijdens de hoorzitting die in het kader van de
bezwaren tegen het WAO- en WW-besluit heeft plaatsgevonden niet
ondubbelzinnig gebleken dat zij zich beschikbaar heeft gesteld voor de
arbeidsmarkt. Daarbij is naar het oordeel van de Raad in voldoende mate
rekening gehouden met de moeilijke positie waarin appellante zich
bevindt, nu zij ook de WAO-beslissing heeft aangevochten. De Raad wijst
hiervoor op zijn uitspraak van 4 september 1990, LJN ZB5702, RSV
1991/32.
7.3. Blijkens de stukken is appellante er door het Uwv meermalen op
gewezen dat zij zich beschikbaar dient te stellen voor de arbeidsmarkt.
Niet alleen heeft de arbeidsdeskundige appellante tijdens het
telefoongesprek terzake van de beoordeling van de WAO-aanvraag hier op
gewezen, maar bij brief van 14 oktober 2003 is dat nogmaals duidelijk
gemaakt. Bovendien heeft appellante bij de aanvraag de folder ‘aan
welke regels moet ik mij houden’, waarin de voorschriften van de WW
staan, ontvangen en voor ontvangst getekend. Dit betekent dat zij door
het Uwv voldoende is gewezen op de verplichting om daadwerkelijk en reëel
beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt.
7.4. Nu geen sprake is van reële beschikbaarheid heeft het Uwv
appellante dan ook terecht met ingang van 5 november 2003 niet in
aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Dit betekent dat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
8. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en C.P.J.
Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van B. van Zoelen-Altunc als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7
juni 2006.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) B. van Zoelen-Altunc.
|
|