|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/4926 WW en 05/4927 WW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], Noorwegen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank
’s-Gravenhage van 30 juni 2005, 05/3591, 05/3592 en 05/3593 (hierna:
aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
1. de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
2. de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: Minister).
Datum uitspraak: 26 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.F. Kortooms, werkzaam bij de Koninklijke
Nederlandse Toonkunstenaars Vereniging, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2006.
Appellant is niet verschenen. Het Uwv en de Minister hebben zich doen
vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en het Besluit
bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en
voortgezet onderwijs en de daarop berustende bepalingen, zoals die
luidden ten tijde als hier van belang.
2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad gaat uit van de volgende feiten
en omstandigheden.
2.1. Appellant, die is afgestudeerd aan het conservatorium, is met
ingang van 1 augustus 2002 als leraar in dienst getreden bij de
Vereniging voor Christelijk Voortgezet Onderwijs te Rotterdam en
Omgeving. Deze arbeidsovereenkomst is van rechtswege geëindigd op 1
augustus 2004. Aan appellant is vervolgens met ingang van 9 augustus
2004 een WW-uitkering, alsmede een bovenwettelijke uitkering op grond
van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor
onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs, toegekend.
2.2. Bij besluiten van 10 januari 2005 zijn de WW-uitkering en de
bovenwettelijke uitkering van appellant met ingang van 6 december 2004
gedurende 16 weken verlaagd met 20% op de grond dat appellant in de
periode 1 november 2004 tot en met 5 december 2004 in onvoldoende mate
heeft getracht passende arbeid te verkrijgen. Het door appellant tegen
deze besluiten ingediende bezwaar is bij de bestreden besluiten van 18
mei 2005 ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de
rechtbank (hierna: de rechtbank), met toepassing van artikel 8:86 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb), de beroepen tegen de bestreden
besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat appellant
zich te beperkt heeft opgesteld door zich bij het solliciteren vooral te
richten op functies als musicus, bastubaïst in het bijzonder, terwijl
van hem redelijkerwijs kon worden gevergd dat hij zich mede zou richten
op passende functies in het onderwijs.
4. In hoger beroep bestrijdt appellant het oordeel van de rechtbank.
Volgens hem zijn opvulwerkzaamheden in het onderwijs niet passend te
achten, omdat hij niet bevoegd is tot het geven van onderwijs en hij
voor deze werkzaamheden, gelet op de gezondheidsklachten die hij
ondervond bij zijn werkzaamheden als leraar handvaardigheid, ook niet
geschikt is. Appellant voert verder nog aan dat hem niet duidelijk was
wat zijn sollicitatieplicht inhield en dat niet gereageerd is op zijn
verzoek hem daarover te informeren.
5. De Raad overweegt het volgende.
5.1. Nu appellant zijn recht op uitkering ontleent aan een tweejarige
dienstbetrekking als leraar in het onderwijs kan, gelet op artikel 24,
vierde lid, van de WW, niet worden staande gehouden dat functies in het
onderwijs voor hem niet als passend kunnen worden aangemerkt. Dat
appellant geen formele onderwijsbevoegdheid heeft doet aan de
passendheid van dergelijke arbeid niet af. Voorts heeft appellant niet
aannemelijk weten te maken dat deze arbeid om redenen van lichamelijke,
geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. De
verklaring van het centrum voor arbeid en psyche van 9 juni 2004 acht de
Raad daarvoor onvoldoende. Door zich bij zijn sollicitatieactiviteiten
niet tevens op functies in het onderwijs te richten, heeft appellant
zich, ook naar het oordeel van de Raad, te beperkt opgesteld.
5.2. Aan het niet reageren van het Uwv op zijn brief van 29 december
2004 heeft appellant niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat hij op een
juiste wijze invulling gaf aan zijn sollicitatieplicht. De Raad merkt
daarbij op dat de inhoud van de sollicitatieplicht voldoende duidelijk
omschreven is in de toekenningsbeslissing van 29 november 2004 en in de
bijlage bij de diverse werkbriefjes.
5.3. In de door appellant aangevoerde omstandigheden ziet de Raad geen
bijzondere omstandigheden die erop wijzen dat de aan artikel 24, eerste
lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW en de daaraan door het Uwv
gegeven - en door de Raad niet onredelijk geachte - uitwerking, ten
grondslag liggende veronderstelling, dat met het verrichten van
voldoende sollicitaties de kans wordt vergroot dat arbeid wordt
verkregen, niet of niet ten volle gehanteerd kan worden, terwijl
appellant ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de aan de orde
zijnde periode onvoldoende passende arbeidsplaatsen, als hiervoor
bedoeld, aanwezig waren.
5.4. Appellant is daarmee, ook naar het oordeel van de Raad, de in
artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW
opgenomen verplichting, om te voorkomen dat hij werkloos is of blijft
doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen,
niet nagekomen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen
grond voor het oordeel dat appellant het niet nakomen van deze
verplichting niet in overwegende mate kan worden verweten.
6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de Raad tot de slotsom
dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en
A.W.M. Bijloos als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L.
Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) L. Karssenberg.
|
|