|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/2350 WW en 03/2620 WW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
1. [appellant 1], wonende te [woonplaats],
2. de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen,
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 april 2003,
kenmerk 02/1630 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant sub 1
en
appellant sub 2.
Datum uitspraak: 3 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant sub 1 (verder te noemen: betrokkene) heeft mr. R.H.L.
van de Laar, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.
Ook appellant sub 2 (verder te noemen: het Uwv) heeft hoger beroep
ingesteld.
Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 20 juni 2006 heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen,
zich als gemachtigde van betrokkene gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2006. Namens
betrokkene is verschenen mr. Brauer, voornoemd, en namens het Uwv is
verschenen mr. L. Bosma, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde
feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.
De Raad volstaat thans met het volgende.
Betrokkene werkte tot 1 februari 1994 in dienst van NedCar Production BV
te Born. Bij besluit van 11 maart 1994 heeft het Uwv met ingang van 1
februari 1994 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend
aan betrokkene, waarbij het dagloon is bepaald op f 180,08. Hierin heeft
betrokkene berust.
Bij brief van 10 april 2002 is namens betrokkene verzocht om herziening
van het dagloon. Ten onrechte is volgens betrokkene geen rekening
gehouden met de reiskostenvergoeding buitenland, zes extra reisdagen,
extra vakantiedagen, pensionkostentoeslag, toeslag zesde dienst en
meeruren. Tevens is verzocht wettelijke rente te vergoeden over de
nabetaling.
Bij besluit van 15 juli 2002 heeft het Uwv het WW-dagloon van betrokkene
met ingang van 1 februari 1994 verhoogd tot € 85,76. Daarbij is
rekening gehouden met een bedrag ad € 781,41 reiskostenvergoeding
buitenland per jaar en € 20,95 pensionkostentoeslag per vier weken.
In bezwaar is onder meer aangevoerd dat nog rekening moet worden
gehouden met toeslagen als TIN-toeslag, CAO-toeslag, vuilwerktoeslag,
extra vakantiedagen en zes extra reisdagen. Ook is vakantietoeslag over
de reiskostenvergoeding en pensionkostentoeslag gevorderd.
Bij besluit van 19 juli 2002 heeft het Uwv geweigerd wettelijke rente te
vergoeden.
Bij besluit van 20 september 2002 (hierna: het bestreden besluit) is het
bezwaar tegen de besluiten van 15 juli 2002 en 19 juli 2002 ongegrond
verklaard.
In beroep is onder meer aangevoerd dat betrokkene een bedrag van meer
dan f 2400,-- aan reiskostenvergoeding heeft ontvangen.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit
vernietigd.
Met betrekking tot de hoogte van het dagloon heeft de rechtbank de
rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten.
Ten aanzien van de vergoeding van wettelijke rente heeft de rechtbank
overwogen dat het besluit van 11 maart 1994 als onrechtmatig moet worden
aangemerkt en dat het Uwv gehouden is ingaande 1 april 1994 wettelijke
rente te vergoeden.
Betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat met een te laag bedrag
aan reiskostenvergoeding buitenland rekening is gehouden, dat
vakantietoeslag moet worden berekend over de reiskostenvergoeding
buitenland en pensionkostentoeslag, dat de zes extra reisdagen dienen
door te klinken in het dagloon en dat ten onrechte geen rekening is
gehouden met een CAO-verhoging per 1 februari 1994.
Het Uwv heeft aangevoerd dat de gevolgen van de onrechtmatigheid van het
besluit van 11 maart 1994 veeleer voor risico van betrokkene dienen te
komen, nu hij destijds akkoord is gegaan met de dagloonvaststelling en
niet is opgekomen tegen het besluit van 11 maart 1994. Het Uwv is van
mening dat, gelet op de datum van het verzoek om herziening van het
dagloon en de wettelijke beslistermijn op een dergelijk verzoek, eerst
ingaande 1 juli 2002 gehouden te zijn wettelijke rente te vergoeden.
De Raad overweegt als volgt.
Het hoger beroep van betrokkene
Naar aanleiding van het verzoek van betrokkene van 10 april 2002 is het
Uwv teruggekomen van het besluit van 14 maart 1994.
Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 juli 2005 (LJN
AU0008) is het terugkomen van besluiten die in rechte onaantastbaar zijn
geworden een bevoegdheid en kan de wijze waarop van die bevoegdheid
gebruik wordt gemaakt door de rechter slechts terughoudend worden
beoordeeld. Een toetsing ten volle zou zich niet verdragen met de
dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van
rechtsmiddelen in het bestuursrecht.
Wat de hoogte van de reiskostenvergoeding buitenland betreft stelt de
Raad vast dat het Uwv is uitgegaan van de opgave van de voormalig
werkgever van betrokkene, die op 22 april 2002 heeft meegedeeld dat de reiskosten van betrokkene in 1993
f 1722,-- bedroegen. Betrokkene heeft bij zijn verzoek van 10 april 2002
salarisspecificaties overgelegd waaruit blijkt dat hij in 1993 f 2407,53
reiskostenvergoeding heeft ontvangen.
Het bedrag dat betrokkene in de referteperiode heeft ontvangen bedraagt
f 861,--.
De Raad is van oordeel dat hetgeen in de referteperiode is ontvangen
correspondeert met de opgave van de werkgever, nu het bedrag aan
reiskosten in twee delen werd uitbetaald. De Raad ziet dan ook geen
aanleiding om te oordelen dat rekening moet worden gehouden met het
bedrag dat buiten de referteperiode is ontvangen. Mede om die reden is
de Raad voorts van oordeel dat er geen aanleiding bestaat het bepaalde
in artikel 6 van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening
sociale zekerheid toe te passen.
Hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de zes extra
reisdagen wordt door de Raad ten volle onderschreven. Het door een
werknemer verdiende vaste maandloon ondergaat geen wijziging door het
feit dat hij zes dagen per jaar minder hoeft te werken dan sommige
collega’s. Het uit de dienstbetrekking genoten financiële voordeel
wordt daardoor niet groter.
Met betrekking tot hetgeen is aangevoerd omtrent de vakantietoeslag over
de reiskostenvergoeding buitenland en pensionkostentoeslag stelt de Raad
vast dat betrokkene niet heeft aangetoond dat zijn voormalige werkgever
gehouden was vakantietoeslag over die vergoeding te betalen.
Ook ten aanzien van de gestelde CAO-verhoging per 1 februari 1994 heeft
betrokkene het benodigde bewijs niet geleverd.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt.
Het hoger beroep van het Uwv
Uit de uitspraak van de Raad van 15 december 2005, LJN AU8983, waarnaar
de Raad kortheidshalve verwijst, volgt dat het standpunt dat het Uwv in
hoger beroep heeft ingenomen slaagt.
Nu het Uwv heeft geweigerd wettelijke rente te vergoeden, moet worden
geconcludeerd dat de rechtbank terecht het bestreden besluit op dit
onderdeel heeft vernietigd, zij het op onjuiste gronden.
De Raad ziet hierin aanleiding het Uwv te veroordelen tot betaling van
de kosten die betrokkene in verband met het hoger beroep van het Uwv
redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op €
644,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene, begroot op €
644,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het
openbaar 3 augustus 2006.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) C.M.T. Kruls.
|
|