|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/6857 WW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 oktober 2005,
05/1991 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2006.
Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen
door mr. H. van Wijngaarden, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Bij het bestreden besluit van 15 april 2005 heeft het Uwv na
daartegen gemaakt bezwaar zijn besluit van 9 maart 2005 gehandhaafd, bij
welk besluit aan appellant was meegedeeld dat hij per 30 december 2004
geen WW-uitkering kan krijgen omdat hij niet beschikbaar was voor werk.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het
bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
4.1. In geding is de vraag of de Raad zich kan stellen achter het
oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich bij het bestreden besluit
terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet beschikbaar
was om arbeid te aanvaarden als bedoeld in artikel 16, eerste lid,
aanhef en onder b, van de WW.
4.2. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de
overwegingen van de aangevallen uitspraak. Ook de Raad is van oordeel
dat uit de voorhanden zijnde gegevens niet anders kan worden afgeleid
dan dat appellant duidelijk heeft doen blijken dat hij zich in verband
met zijn gezondheidstoestand niet beschikbaar stelde voor de
arbeidsmarkt. Ook heeft de Raad uit de gedingstukken moeten opmaken dat
appellant geen activiteiten heeft ontplooid waaruit feitelijke
beschikbaarheid kan worden afgeleid. Niet gebleken is dat appellant
pogingen heeft gedaan om aan het werk te komen bijvoorbeeld door middel
van (open) sollicitaties, inschrijving bij een of meer uitzendbureaus of
door raadpleging van de vacaturebank.
4.3. Uit het vorenstaande volgt dat appellant op juiste gronden een
WW-uitkering is ontzegd. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor
bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar
op 9 augustus 2006.
(get.) H. Bolt.
(get.) P. Boer.
|
|