|
Uitspraak
voorzieningenrechter Centrale
Raad van Beroep 04/4956 WWB en 04/5040 WWB-VV
U
I T S P R A A K
in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86
van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede
op het verzoek om toepassing van artikel 8:81
van de Algemene wet bestuursrecht, in
samenhang met artikel 21 van de Beroepswet,
in het geding tussen:
[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Maastricht, gedaagde.
I. Inleiding
Namens verzoekster heeft mr. E.H.J.M. Dohmen, advocaat te Maastricht,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Maastricht van 10 augustus 2004, reg.nr. 04/701 WWB.
Namens verzoekster heeft mr. Dohmen de voorzieningenrechter verzocht om
toepassing van artikel 8:81 van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb).
Het verzoek is behandeld ter zitting van 19 oktober 2004, waar
verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Dohmen, en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door M.J.W. Bruijnzeels, werkzaam bij
de gemeente Maastricht.
II. Motivering
Ingevolge artikel
8:81 van de Awb
in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet
kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de
voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel
18, eerste lid, van de Beroepswet hoger
beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige
voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken
belangen, dat vereist.
Artikel 21 van de Beroepswet
in samenhang met artikel 8:86 van de Awb
houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de
voorzieningenrechter van de Raad, indien hij
van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan
bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan
doen in de hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek
redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat
ook overigens geen sprake is van beletselen om onmiddellijk uitspraak te
doen in de hoofdzaak.
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de
voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verzoekster ontving sedert 1 augustus 1985, met een onderbreking van 30
september 1994 tot 31 december 1995, een bijstandsuitkering, laatstelijk
naar de norm voor een alleenstaande. Deze uitkering was aanvankelijk
gebaseerd op de (oude) Algemene Bijstandswet, vervolgens op de (nieuwe) Algemene
bijstandswet (Abw) en met ingang van 1 januari 2004 op de Wet
werk en
bijstand
(Wwb).
Naar aanleiding van een anonieme tip dat verzoekster zou samenwonen met
[B] en dat zij samen met hem een friture zou voeren, heeft de sociale recherche
van de gemeente Maastricht een
onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan verzoekster
toegekende uitkering. In dat kader is een huisbezoek verricht zowel op
het adres van verzoekster ([adres] te [woonplaats]) als op het adres
waar [B] stond ingeschreven ([adres] te [woonplaats]), zijn tussen 11
februari 2004 en 2 april 2004 verzoekster, [B] en diverse getuigen
gehoord en heeft dossieronderzoek plaatsgevonden. Op grond van de
resultaten van dit onderzoek, neergelegd in een rapport van 4 mei 2004,
heeft gedaagde, voor zover van belang, geconcludeerd dat verzoekster op
haar woonadres een gezamenlijke huishouding voert met [B].
Bij primair besluit van 5 maart 2004 heeft gedaagde de uitkering van
verzoekster - die vanaf de maand januari 2004 al niet meer was
uitbetaald - met ingang van 1 januari 2004 beëindigd.
Bij besluit van 22 april 2004 heeft gedaagde het bezwaar van verzoekster
tegen het besluit van 5 maart 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank
het beroep van verzoekster tegen het besluit van 22 april 2004 ongegrond
verklaard.
Verzoekster heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en
onder a, van de Wwb,
voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede
aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding
voert.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wwb
is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun
hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te
dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de
kosten van de huishouding dan wel anderszins.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat, evenals onder de Abw,
ook onder de Wwb
aan twee criteria dient te zijn voldaan wil sprake zijn van een
gezamenlijke huishouding, namelijk het gezamenlijke hoofdverblijf en de
wederzijdse zorg. Dit betekent, zoals ook de rechtbank
heeft overwogen, dat de op grond van artikel 3
van de Abw tot stand gekomen jurisprudentie
ter zake haar gelding blijft behouden onder de Wwb.
De voorzieningenrechter volgt verzoekster niet in haar grief dat het
besluit van 22 april 2004 reeds niet in stand had mogen blijven omdat,
volgens verzoekster, gedaagde bij het nemen van het besluit van 22 april
2004 niet over alle onderzoeksresultaten beschikte. Uit het rapport van
de sociale recherche van 4 mei 2004 blijkt dat het laatste opgetekende
proces-verbaal dateert van 2 april 2004. Dit betekent dat gedaagde op 22
april 2004 over alle bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche
beschikte. Dat de sociale recherche - eerst - op 5 mei 2004 een
(eind)rapport heeft opgesteld, is dan ook niet van belang.
De grief dat de rechtbank gedaagde
ten onrechte heeft gevolgd in zijn standpunt dat geen sprake is van een
gezamenlijke huishouding, slaagt evenmin.
Anders dan de rechtbank heeft
overwogen, geldt niet dat het aan verzoekster is om aannemelijk te maken
dat niet aan de beide criteria voor het aannemen van een gezamenlijke
huishouding is voldaan. Het gaat hier immers om een voor verzoekster
belastend besluit, zodat op gedaagde de bewijslast rust ten aanzien van
de vraag of is voldaan aan de voorwaarden voor uitoefening van de
bevoegdheid om tot beëindiging van verzoeksters bijstandsuitkering over
te gaan.
Met inachtneming hiervan overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
Verzoekster en [B] stonden ten tijde hier van belang ingeschreven op
verschillende woonadressen. Volgens vaste rechtspraak behoeft het
aanhouden van afzonderlijke woonruimte niet in de weg te staan aan het
hebben van een gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning. In dat
geval zal echter - door het betrokken bestuursorgaan - redelijkerwijs
aannemelijk moeten zijn gemaakt dat desondanks een feitelijke situatie
van samenwoning bestaat, doordat slechts één van beide woningen wordt
gebruikt dan wel doordat op een andere wijze een zodanig gebruik van de
woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden
gesproken.
Dat sprake is van wederzijdse zorg kan volgens eveneens vaste
rechtspraak blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling
tussen de betrokkene, die verder gaat dan het uitsluitend delen van
woonlasten en hiermee samenhangende vaste lasten. Indien van een
zodanige financiële verstrengeling niet of slechts in geringe mate
sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om
aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een
afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en
omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal dan ook bepalend
zijn voor het antwoord op de vraag of in een concreet geval aan het
criterium van de wederzijdse zorg is voldaan.
De voorzieningenrechter is met de rechtbank
en gedaagde van oordeel dat de uit het onderzoek van de sociale recherche
naar voren gekomen gegevens, in onderlinge samenhang bezien, een
toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat verzoekster en [B] ten tijde in geding gezamenlijk in hun huisvesting aan de [adres]
voorzagen en dat tevens sprake was van wederzijdse zorg. Voor de in dit
verband van belang zijnde feiten verwijst de Raad
naar de aangevallen uitspraak. Hij voegt hier wat het gezamenlijke
hoofdverblijf betreft nog het volgende aan toe. Tijdens het -
onverwachte - huisbezoek op 11 februari 2004 om 09.00 uur op het adres
van verzoekster werd, behalve verzoekster, ook [B] aangetroffen. Bij
het huisbezoek dat aansluitend op het adres van [B] plaatsvond, bleek
dat die woning niet bewoond was. Verder blijkt uit de stukken dat de
woning van verzoekster versierd was voor de zogeheten markies van de
carnavalsvereniging in de wijk waarin de woning van verzoekster zich
bevindt en dat de markies voor wie de versiering was aangebracht [B] betrof. Bovendien wordt in een publicatie in een lokale krant het
woonadres van verzoekster uitdrukkelijk genoemd als de woning van de
markies, [B]. Met betrekking tot de wederzijdse zorg wijst de Raad erop
dat als vaststaand kan worden aangenomen dat verzoekster en [B] gezamenlijk een keuken hebben aangeschaft en dat
[B] kluswerkzaamheden
verrichtte in de woning van verzoekster.
In hetgeen overigens door verzoekster is aangevoerd, ziet de
voorzieningenrechter geen grond om tot een ander oordeel te komen.
Uit het voorgaande vloeit voort dat is voldaan aan beide criteria van artikel
3, derde lid, van de Wwb,
zodat verzoekster en [B] op grond van artikel 3,
tweede lid, aanhef en onder a, van de Wwb
als gehuwden dienen te worden aangemerkt. Dit betekent dat verzoekster
op 1 januari 2004 niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op
bijstandverlening naar de norm voor een alleenstaande. Gedaagde heeft
derhalve terecht de uitkering per 1 januari 2004 beëindigd.
Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking komt.
Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van
een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe moet worden
afgewezen.
Voor vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht en voor
een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter ten
slotte geen aanleiding.
III. Beslissing
De voorzieningenrechter van de Centrale
Raad van Beroep;
Recht doende:
in de hoofdzaak:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
op het verzoek om voorlopige voorziening:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel
8:81
van de Algemene
wet bestuursrecht af.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van T.A.
Willems-Dijkstra als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16
november 2004.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) T.A. Willems-Dijkstra.
Tegen uitspraken van de Centrale
Raad van Beroep ingevolge de Wet
werk en bijstand kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen
ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het
begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet.
Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift
van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie
(gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden)
aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|