|
Uitspraak
voorzieningenrechter 04/6717 WWB-VV
U I T S P R A A K
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het
geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad,
verzoeker,
en
[verzoeker], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. INLEIDING
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank
Zwolle-Lelystad op 26 oktober 2004 tussen partijen gewezen uitspraak,
reg.nr. 04/921 WWB.
Bij afzonderlijk schrijven van 6 december 2004 heeft verzoeker tevens
verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb).
II. MOTIVERING
Gedaagde ontvangt sedert 1 februari 1993 een bijstandsuitkering naar de
norm voor gehuwden. Aan haar is meegedeeld dat zij aan de verplichtingen
van artikel 113, eerste lid, van de Algemene
bijstandswet moet voldoen en dat zij
vanaf 26 september 2002 voor de duur van vijf jaar als
arbeidsgehandicapt wordt beschouwd in het kader van de Wet reďntegratie
arbeidsgehandicapten.
Vervolgens is gedaagde op initiatief van verzoeker onderzocht door de
Stichting Mind at Work. Blijkens het zogeheten trajectadvies van deze
stichting van 27 maart 2003 wordt gedaagde niet in staat geacht mee te
doen aan een sociaal activeringstraject; aan verzoeker is geadviseerd
gedaagde na circa 12 maanden voor herbeoordeling aan te bieden.
Bij brief van 30 maart 2004 is namens gedaagde verzoeker gevraagd haar
“alsnog te ontslaan van de arbeidsverplichting”. Gedaagde heeft deze
brief aangemerkt als een bezwaarschrift “tegen het feit dat naar
aanleiding van het rapport van Mind at Work geen besluit is genomen”
en het aldus opgevatte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard bij besluit
van 18 juni 2004.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 18 juni 2004
ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en verzoeker
opgedragen een besluit te nemen met betrekking tot de vraag of voor
gedaagde de verplichtingen gericht op de inschakeling in de arbeid nog
steeds dienen te gelden.
Naar aanleiding van het thans gedane verzoek om een voorlopige
voorziening overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in
verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak
van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als
omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat
vereist.
In het verzoekschrift wordt voor de gronden van het verzoek verwezen
naar het hogerberoepschrift. Daarnaast is de grond van het verzoek
gelegen in de omstandigheid dat de gemeente Lelystad in de aangevallen
uitspraak tot een bedrag van € 322,-- is veroordeeld in de
proceskosten.
De omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar het oordeel van
verzoeker niet in stand zal kunnen blijven en het feit dat de gemeente
Lelystad in de proceskosten van gedaagde in beroep is veroordeeld,
leveren geen grond op om te oordelen dat in dit geval aan de zijde van
verzoeker sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een
voorlopige voorziening.
Het verzoek om een voorlopige voorziening is daarom kennelijk ongegrond,
zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de
Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.
Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht af.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr.
M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 januari
2005.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M.C.M. Hamer.
|
|