|
Uitspraak
voorzieningenrechter 05/226 WWB-VV en 05/227 WWB-VV
U I T S P R A A K
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het
geding tussen:
[verzoeker], verzoeker, en [verzoekster], verzoekster, beiden wonende te
[woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond,
gedaagde.
I. INLEIDING
Namens verzoekers heeft mr. P.C.J. Willekens, advocaat te Helmond, hoger
beroep ingesteld tegen de door de voorzieningenrechter van de rechtbank
’s-Hertogenbosch op 25 november 2004 tussen partijen gewezen
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij brief van 10 januari 2005 heeft mr. Willekens namens verzoekers
tevens verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Gedaagde heeft nadere stukken ingezonden.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 14 februari 2005, waar
verzoekers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. Willekens, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door
R. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Helmond.
II. MOTIVERING
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in
verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak
van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als
omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat
vereist. Voorzover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de
bodemprocedure wordt beoordeeld heeft het oordeel van de
voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor
de beslissing in die procedure.
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het
volgende gebleken.
Verzoekers ontvingen een bijstandsuitkering van gedaagde, sedert 1 maart
2002 naar de norm voor een gezin. Op 29 augustus 2001, 6 februari 2002, en 22 juli 2003 zijn een
hennepdrogerij, respectievelijk hennepkwekerijen aangetroffen in de
woningen van verzoekers, met als gevolg dat hun bijstandsuitkering met
terugwerkende kracht tijdelijk is ingetrokken, laatstelijk van 20 mei
2003 tot en met 22 juli 2003.
In verband met de ontdekking van een hennepdrogerij in een woonwagen van
verzoeker op 6 januari 2004 heeft gedaagde bij besluit van 10 maart 2004
het recht op bijstand opgeschort met ingang van 6 januari 2004 en
verzoekers gevraagd een aantal nader in dat besluit gespecificeerde
gegevens over te leggen vóór 19 maart 2004.
Bij besluit van 26 mei 2004 heeft gedaagde deze opschorting gehandhaafd
en de geboden hersteltermijn verlengd tot 9 juni 2004, dit met het
verzoek om aan te tonen wat de aard en de hoogte is van het inkomen en
vermogen over de periode van 1 augustus 2001 tot 6 januari 2004. Daarbij is overwogen:
“Uit het onderzoek naar het recht op uitkering over de periode 1
augustus 2001 tot heden is aannemelijk gemaakt dat u over een ander
inkomen dan wel vermogen kon/kan beschikken dan bij de Dienst
Samenleving en Economie bekend is.”
Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 8 juli 2004 heeft gedaagde de bijstandsuitkering van
verzoekers beëindigd met ingang van 6 januari 2004. Daarbij is
overwogen:
“dat u geen/onvoldoende gevolg heeft gegeven aan ons verzoek d.d. 26
mei 2004 om aanvullende informatie te verstrekken die van belang is voor
de voortzetting van de uitkering. Hierdoor kunnen wij niet beoordelen of
u nog langer recht heeft op een uitkering (art. 65 Abw/art. 17 Wwb).”
Ook tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 24 september 2004 heeft gedaagde het bezwaar van
verzoekers ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer het volgende
overwogen:
“In het besluit waarin de uitkering van belanghebbenden wordt beëindigd
gebeurt dit op grond van artikel 65 Abw en artikel 17 Wwb (niet voldaan
aan de inlichtingenplicht). In feite dient de motivering en rechtsgrond
voor beëindiging nader omschreven te worden. Aangezien in de
bezwaarfase het gaat om een bestuurlijke heroverweging kan in gebrek in
de primaire besluitvorming ambtshalve worden hersteld.
De uitkering dient met ingang van 6 januari 2004 beëindigd te worden
omdat vanaf die datum het recht op bijstand niet is vast te stellen.
Belanghebbenden hebben namelijk geen mededeling gedaan van de op die
datum in de woonwagen van belanghebbende aangetroffen hennepdrogerij,
zodat belanghebbenden de op hen rustende inlichtingenplicht hebben
geschonden. Vanaf 6 januari 2004 is niet meer vast te stellen of
belanghebbenden tot de kring van rechthebbenden behoren omdat zij niet
de informatie hebben verstrekt om dit vast te stellen. Dit op grond van
artikel 11 lid 1 Wwb jo. artikel 17 lid 1 Wwb jo. artikel 65 lid 1 Abw.”
Bij de aangevallen uitspraak, voorzover hier van belang, heeft de
voorzieningenrechter van de rechtbank met toepassing van artikel 8:86
van de Awb het beroep van verzoekers tegen het besluit van 24 september
2004 ongegrond verklaard.
Naar aanleiding van het thans gedane verzoek om een voorlopige
voorziening overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
De voorzieningenrechter stelt eerst - ambtshalve - vast dat verzoekers
hun bezwaren tegen het besluit van 26 mei 2004 niet hebben ingetrokken
en gedaagde zowel in het bezwaarschrift van 8 juni 2004 als in dat van
20 juli 2004 om vergoeding van proceskosten hebben verzocht. Gelet op de
in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb neergelegde verplichting tot
volledige heroverweging van gemaakte bezwaren en op het bepaalde in
artikel 7:15, derde lid, tweede volzin, van de Awb had van gedaagde
mogen worden verwacht dat bij het besluit van 24 september 2004 ook
gemotiveerd op het bezwaar tegen het besluit van 26 mei 2004 en op de
verzoeken om vergoeding van proceskosten zou zijn beslist. Het komt de
voorzieningenrechter voor dat deze onvolledige besluitvorming alsnog
door gedaagde kan worden hersteld door het nemen van een aanvullend, in
de bodemprocedure ter kennis van de Raad te brengen besluit.
Met betrekking tot het door gedaagde gehandhaafde beëindigingsbesluit
merkt de voorzieningenrechter het volgende op.
Vaststaat dat op 6 januari 2004 in de woonwagen, die in elk geval tot de
gestelde eigendomsoverdracht op 7 januari 2004 eigendom was van
verzoeker, een hennepdrogerij is aangetroffen. Door van deze
hennepdrogerij, waarvan het bestaan onmiskenbaar van belang is voor de
vaststelling van het recht op bijstand, geen melding te maken bij
gedaagde, zijn verzoekers ernstig tekort geschoten in de nakoming van de
ingevolge de bijstandswetgeving op hen rustende
inlichtingenverplichting. De door verzoekers aangevoerde omstandigheid
dat die woonwagen feitelijk niet door verzoeker werd bewoond, maakt dit
niet anders, omdat verzoeker als eigenaar verantwoordelijk was voor en
toezicht had te houden op de wijze waarop zijn woonwagen werd gebruikt.
Nu verzoekers enkel hun betrokkenheid bij de op 6 januari 2004 in de
woonwagen aangetroffen hennepdrogerij hebben ontkend, valt niet met
voldoende zekerheid vast te stellen sedert welke datum na de vorige
politie-inval op 22 juli 2003 de activiteiten met betrekking tot het
drogen van hennep in de woonwagen van verzoeker zijn aangevangen. De
voorzieningenrechter neemt voorts in aanmerking dat uit de in het
dossier opgenomen afschriften van de bankrekeningen van verzoekers
blijkt dat zowel verzoeker als verzoekster na 22 juli 2003 slechts
enkele malen geringe bedragen van deze rekeningen hebben opgenomen en
dat thans onvoldoende informatie beschikbaar is met betrekking tot de
inkomens- en vermogenspositie van verzoekers over de laatste vijf
maanden voorafgaand aan januari 2004. Naar het voorlopig oordeel van de
voorzieningenrechter heeft gedaagde zich dan ook terecht op het
standpunt gesteld dat door de schending van de inlichtingenverplichting
het recht op bijstand op 6 januari 2004 niet kan worden vastgesteld.
Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat geen grond,
omdat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter een redelijke mate
van waarschijnlijkheid bestaat dat het besluit de beëindiging van de
bijstandsuitkering van verzoekers met ingang van 6 januari 2004 te
handhaven, stand zal kunnen houden.
Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht ziet de
voorzieningenrechter ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht af.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr.
R.J. van der Veen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22
februari 2005.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) R.J. van der Veen.
|
|