|
Uitspraak
voorzieningenrechter 04/7127 WWB-VV, 04/7128 WWB-VV, 04/7129 WWB-VV,
04/6905 WWB, 04/7006 WWB, 04/7011 WWB, 05/730 WWB, 05/732 WWB en 05/733
WWB
U I T S P R A A K
in de hoofdzaken, als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet
bestuursrecht, alsmede inzake de verzoeken om toepassing van artikel
8:81 van die wet in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in de
gedingen tussen:
1. [verzoeker 1] en [verzoeker 3], en 2. [verzoeker 2], allen wonende te
[woonplaats], verzoekers,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Midden-Drenthe, gedaagde.
I. INLEIDING
Verzoekers hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
voorzieningenrechter van de rechtbank Assen van 9 november 2004, reg.nrs.
04/891, 932, 1002 en 1003 WWB.
In dezelfde brief is verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel
8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Gedaagde heeft de Raad desgevraagd stukken doen toekomen.
Verzoekers hebben nadere stukken ingezonden.
De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 15 februari 2005, waar
verzoeker [verzoeker 1] in persoon is verschenen met bijstand van [naam
familie], en waar [verzoeker 3] en [verzoeker 2] niet zijn verschenen.
Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Schwartz,
werkzaam bij de gemeente Midden-Drenthe.
II. MOTIVERING
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in
verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak
van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als
omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat
vereist.
Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel
8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat
de voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de
zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de
beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de
hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat na de behandeling van de
verzoeken ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen
aan de beoordeling van de zaken en acht termen aanwezig om in de
hoofdzaken onmiddellijk uitspraak te doen.
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het
volgende gebleken.
Verzoekers ontvingen bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en
bijstand (Wwb).
Bij besluiten van 10 juni 2004 heeft gedaagde het recht op bijstand van
verzoekers met ingang van 2 juni 2004 opgeschort op de grond dat
verzoekers op 2 juni 2004 weigerden mee te werken aan een
heronderzoeksgesprek over hun verplichtingen gericht op
arbeidsinschakeling.
Bij besluiten van 2 juli 2004 heeft gedaagde het recht op bijstand van
verzoekers met ingang van 2 juni 2004 ingetrokken.
Bij brieven van 18 juli 2004 hebben verzoekers onder meer bezwaar
gemaakt tegen de besluiten van 2 juli 2004. Bij besluiten van 19 oktober
2004 heeft gedaagde deze bezwaren met toepassing van artikel 54, vierde
lid, van de Wwb ongegrond verklaard.
Naar aanleiding van de tegen de besluiten van 19 oktober 2004 ingestelde
beroepen heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank bij de
aangevallen uitspraak, voorzover van belang, ambtshalve vastgesteld dat
verzoekers in hun brieven van 18 juli 2004 tevens bezwaar hebben gemaakt tegen de besluiten van 10
juni 2004. Omdat gedaagde in zijn besluiten van 19 oktober 2004 enkel heeft beslist over de bezwaren tegen de besluiten
van 2 juli 2004 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank - met
bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - de beroepen in zoverre
gegrond verklaard, de besluiten van 19 oktober 2004 in zoverre wegens
strijd met artikel 7:11 van de Awb vernietigd en gedaagde opdracht
gegeven een besluit te nemen op de bezwaren van verzoekers tegen de
besluiten van 10 juni 2004. De beroepen zijn voor het overige ongegrond
verklaard.
Verzoekers hebben zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd
voorzover daarbij hun beroepen ongegrond zijn verklaard.
Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft gedaagde bij besluiten
van 26 november 2004 de bezwaren van verzoekers tegen de besluiten van
10 juni 2004 met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wwb
ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft de tegen de besluiten van 26 november 2004 ingestelde
beroepen bij separate uitspraken van 18 januari 2005, reg.nrs. 04/1208
WWB en 04/1210 WWB, ongegrond verklaard.
De voorzieningenrechter overweegt eerst - ambtshalve - het volgende.
Volgens vaste rechtspraak volgt uit de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid,
en 6:24 van de Awb dat, indien naar aanleiding van een uitspraak van de
rechtbank het bestuursorgaan een nieuw besluit op bezwaar neemt, dit
besluit door de Raad bij de beoordeling wordt betrokken. Overeenkomstig
artikel 6:18, vierde lid, van de Awb dient het betrokken bestuursorgaan
van een dergelijk besluit mededeling te doen aan de Raad. De rechtbank,
waaraan door de Raad mededeling wordt gedaan van het ingestelde hoger
beroep, is dan niet (meer) bevoegd ten aanzien van een tegen dat besluit
(niettemin) ingesteld beroep en dient het beroepschrift door te zenden
naar de Raad. Nu dit achterwege is gebleven en door de rechtbank op de
beroepen tegen de ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen
besluiten van 26 november 2004 is beslist, dienen voormelde uitspraken
van 18 januari 2005 te worden vernietigd.
De voorzieningenrechter komt voorts tot de volgende beoordeling.
Met betrekking tot de opschorting van het recht op bijstand
Artikel 54, eerste lid, van de Wwb bepaalt dat, indien de belanghebbende
de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de
gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt
en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende
anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op
bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking
heeft, of vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op
welke periode dit verzuim betrekking heeft.
Verzoekers zijn bij brieven van 25 mei 2004 namens gedaagde uitgenodigd
voor een gesprek op 2 juni 2004 teneinde de nakoming van de aan hun
bijstandsuitkeringen verbonden verplichtingen, gericht op inschakeling
in de arbeid, te onderzoeken. Op grond van de gedingstukken en het
verhandelde ter zitting staat voor de voorzieningenrechter vast dat
verzoekers zich op 2 juni 2004 niet bereid hebben getoond om aan dit
heronderzoek mee te werken. Naar aanleiding hiervan is het
heronderzoeksgesprek voortijdig beëindigd. Terecht heeft gedaagde zich
dan ook op het standpunt gesteld dat verzoekers onvoldoende hebben
meegewerkt aan het onderzoek, gericht op de nakoming van de
verplichtingen tot inschakeling in de arbeid. De voorzieningenrechter is
voorts van oordeel dat dit verzoekers te verwijten valt. De
omstandigheid dat zij eerst de bij de rechtbank aanhangige gedingen ter
zake van hun wens om, met toepassing van het Besluit bijstandsverlening
zelfstandigen, als zelfstandige werkzaam te zijn wilden afwachten
alvorens mee te werken aan het onderzoek, levert geen grond op om
hierover anders te oordelen.
Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat aan
de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wwb is
voldaan. De voorzieningenrechter ziet geen grond om te oordelen dat
gedaagde niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot opschorting van
het recht op bijstand gebruik heeft kunnen maken.
De beroepen voorzover deze geacht moeten worden te zijn gericht tegen de
besluiten van 26 november 2004, dienen derhalve ongegrond te worden
verklaard.
Met betrekking tot de intrekking van het recht op bijstand
Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de Wwb doet het college mededeling
van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een
door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54,
vierde lid, van de Wwb bepaalt dat, als de belanghebbende in het geval
bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor
gestelde termijn, het college na het verstrijken van deze termijn het
besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de
eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
In zijn besluiten van 10 juni 2004 heeft gedaagde verzoekers onder meer
in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen door binnen twee
weken na ontvangst van die besluiten een afspraak met een daartoe
aangewezen medewerker van de gemeente Midden-Drenthe te maken en alsnog
mee te werken aan het onderzoek. Verzoekers hebben blijkens de
gedingstukken vervolgens geen contact met die medewerker opgenomen. Het
niet binnen de gestelde termijn contact opnemen met de door gedaagde
aangewezen medewerker voor het maken van een nieuwe afspraak voor het
onderzoek acht de voorzieningenrechter verwijtbaar. De omstandigheid dat
mr. R. Bosma, advocaat te Assen, naar aanleiding van de besluiten van 10
juni 2004 bij brief van 14 juni 2004 namens verzoekers heeft gevraagd
naar de reden van de beëindiging van het gesprek van 10 (lees: 2) juni
2004 leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. Hiertoe
overweegt de voorzieningenrechter dat gedaagde bij brief van 16 juni
2004 aan mr. Bosma een toelichting op het gebeuren heeft gegeven en
voorts heeft meegedeeld dat verzoekers de gelegenheid is geboden het
verzuim te herstellen. Verzoekers hebben dit evenwel ook nadien
nagelaten.
Met het voorgaande is gegeven dat ook aan de voorwaarden voor toepassing
van artikel 54, vierde lid, van de Wwb is voldaan. De
voorzieningenrechter ziet geen grond om te oordelen dat gedaagde niet in
redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking van het recht op
bijstand gebruik heeft kunnen maken.
De aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, komt derhalve voor
bevestiging in aanmerking.
Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat onder die
omstandigheden geen aanleiding.
De voorzieningenrechter ziet ten slotte geen aanleiding voor een
veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
in de hoofdzaken:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Vernietigt de uitspraken van 18 januari 2005 met de reg.nrs. 04/1208 WWB
en 04/1210 WWB;
Verklaart de beroepen, voorzover die geacht worden mede te zijn gericht
tegen de besluiten van 26 november 2004, ongegrond.
op de verzoeken om een voorlopige voorziening:
Wijst de verzoeken om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht af.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr.
M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22
februari 2005.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M.C.M. Hamer.
|
|