|
Uitspraak
voorzieningenrechter 05/1269 WWB-VV en 05/1270 WWB-VV
U I T S P R A A K
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het
geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo,
verzoeker,
en
[gedaagde 1] en [gedaagde 2], wonende te [woonplaats], gedaagden.
I. INLEIDING
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank
Roermond op 12 januari 2005 tussen partijen gewezen uitspraak met
registratienummer 04/826 NABW. Dit hoger beroep is bij de Raad
geregistreerd onder de nummers 05/1239 WWB en 05/1240 WWB.
Verzoeker heeft tevens verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).
II. MOTIVERING
Ingevolge artikel 8:81 van de Awb in samenhang met artikel 21 van de
Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de
voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste
lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen
indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Hierbij geldt dat voor het treffen van een voorlopige voorziening als in
dit geval gevraagd, moet worden bezien of op grond van een afweging van
de wederzijds in aanmerking komende belangen bij een al dan niet
onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak, het verzoek om
een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. Daarbij komt ook
in beeld de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid
bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven.Voorzover
deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt
beoordeeld heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig
karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen
uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Bij besluit van 1 juni 2004 heeft verzoeker het bezwaar van gedaagden
tegen de primaire besluiten van 14 januari 2004 (besluit I), 26 januari
2004 (besluit II), 20 februari 2004 (besluit III) en 30 maart 2004
(besluit IV) ongegrond verklaard en deze besluiten gehandhaafd onder
aanpassing van onder meer de wettelijke grondslag bij besluit IV.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 1 juni 2004
ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit in zijn geheel
vernietigd wegens toepassing van onjuiste wettelijke bepalingen.
Verzoeker heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot integrale
vernietiging van het besluit van 1 juni 2004 is overgegaan aangezien de
rechtbank in deze uitspraak met betrekking tot besluit IV heeft
geconcludeerd dat verzoeker de juiste wettelijke bepalingen heeft
gehanteerd. Verzoeker heeft daarom verzocht om schorsing van de
aangevallen uitspraak. De voorzieningenrechter begrijpt dit verzoek
aldus dat verzocht wordt om schorsing van de aangevallen uitspraak
voorzover hierbij het besluit van 1 juni 2004 terzake van besluit IV is
vernietigd. Dit verzoek komt om de volgende redenen voor toewijzing in
aanmerking.
Bij primair besluit IV heeft verzoeker op de aanvraag van gedaagden van
27 januari 2004 (melding 21 januari 2004) om bijstand ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 december 2003 afwijzend
beslist. Hierbij heeft verzoeker de afwijzing over de periode van 1
december 2003 tot 21 januari 2004 gebaseerd op artikel 4:6 van de Awb
aangezien gedaagden geen nieuwe feiten en omstandigheden hebben
aangevoerd ten opzichte van het eerdere besluit van 14 januari 2004
waarbij met ingang van 1 december 2003 het recht op algemene bijstand is
ingetrokken. Voor de periode vanaf 21 januari 2004 heeft verzoeker de
afwijzing gebaseerd op de artikelen 52 en 54 van de Abw in samenhang met
artikel 7 van de Abw, omdat gedaagden de beschikking zouden hebben over
een vermogen dat de toepasselijke vermogensgrens overschrijdt.
Bij besluit van 1 juni 2004 heeft verzoeker, onder meer, het bezwaar
tegen besluit IV ongegrond verklaard en hierbij de wettelijke grondslag
met betrekking tot de afwijzing van de bijstand met ingang van 21
januari 2004 gewijzigd in artikel 11, eerste lid, van de Wet werk en
bijstand (Wwb), artikel 65, eerste lid, van de Abw, artikel 19, eerste
lid, aanhef en onder b, van de Wwb en artikel 34 van de Wwb.
Bij de aangevallen uitspraak, waarin verzoeker is aangeduid als
verweerder, heeft de rechtbank met betrekking tot besluit IV het
volgende overwogen.
Met betrekking tot het bestreden besluit dat betrekking heeft op
primair besluit IV van 30 maart 2004, voor wat betreft deelbesluit A
waarbij afwijzend is beslist op het verzoek om herziening van het
primaire besluit I van 14 januari 2004, heeft verweerder naar het
oordeel van de rechtbank terecht toepassing gegeven aan artikel 4:6 van
de Awb. Met betrekking tot deelbesluit B waarbij de aanvraag om bijstand
per 21 januari 2004 is afgewezen, heeft de voorzieningenrechter reeds in
zijn uitspraak van 29 april 2004 hierover geoordeeld dat verweerder de
onjuiste artikelen had gehanteerd. Dit verzuim heeft verweerder naar het
oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit hersteld door thans
met toepassing van het bepaalde in de Wwb te beslissen.
Deze conclusie van de rechtbank komt niet overeen met het dictum van de
aangevallen uitspraak waarbij het besluit van 1 juni 2004, na gegrondverklaring van het beroep, ook met betrekking tot
besluit IV is vernietigd.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het
belang van gedaagden bij onmiddellijke uitvoering van de uitspraak niet
opweegt tegen het belang dat verzoeker heeft bij schorsing van die
uitspraak voorzover daarbij het besluit van 1 juni 2004 is vernietigd
met betrekking tot besluit IV. Er is dan ook voldoende aanleiding om het
verzoek in te willigen en de werking van de aangevallen uitspraak op dit
onderdeel op te schorten totdat de Raad heeft beslist op het door
verzoeker ingestelde hoger beroep.
Het verzoek om een voorlopige voorziening is kennelijk gegrond, zodat de
voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb,
uitspraak kan doen zonder zitting.
Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb acht de voorzieningenrechter
ten slotte geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe;
Schorst de werking van de aangevallen uitspraak van de rechtbank
Roermond voorzover daarbij het besluit van 1 juni 2004 is vernietigd met
betrekking tot primair besluit IV.
Bepaalt dat de griffier aan de gemeente Venlo het door verzoeker
betaalde griffierecht van 409,- terugbetaalt.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten, in tegenwoordigheid van T.A.
Willems-Dijkstra als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31
maart 2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) T.A. Willems-Dijkstra.
|
|