|
Uitspraak
voorzieningenrechter 05/3006 WWB-VV, 05/3957 WWB-VV, 05/2480 WWB en
05/3958 WWB
U I T S P R A A K
in de hoofdzaak, als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet
bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om een voorlopige voorziening
in het geding tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalten,
gedaagde.
I. INLEIDING
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 17 maart 2005, reg.nrs.
05/213 en 05/214 WWB.
Bij brief van 25 april 2005, aangevuld bij brief van 17 mei 2005, heeft
verzoeker tevens verzocht om een voorlopige voorziening.
Partijen hebben nadere stukken toegezonden, waaronder een nader besluit
van gedaagde van 23 juni 2005.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 27 juni 2005, waar verzoeker in
persoon is verschenen, terwijl gedaagde - daartoe ambtshalve opgeroepen
- is verschenen bij zijn gemachtigde P.A. van der Velden, werkzaam bij
de gemeente Aalten.
II. MOTIVERING
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in
verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak
van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als
omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat
vereist. Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met
artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts
in dat de voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek
redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak,
onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het
volgende gebleken.
Verzoeker heeft op 15 februari 1996 een overeenkomst van geldlening
gesloten met zijn ouders voor de som van f 40.000,-- (€ 18.151,20). In
die overeenkomst is onder meer bepaald dat een rente verschuldigd is van
5% en dat de hoofdsom te allen tijde geheel of gedeeltelijk opeisbaar en
aflosbaar is met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden.
Op 5 augustus 2004 heeft verzoeker zich gemeld voor het indienen van een
aanvraag om algemene bijstand met ingang van 10 augustus 2004 bij de
Centrale organisatie werk en inkomen. Na de overdracht van de aanvraag
heeft gedaagde bij besluit van 20 oktober 2004 afwijzend op de aanvraag
beslist op de grond dat het op € 22.454,28 vastgestelde vermogen van
verzoeker voldoende is om zelf in de noodzakelijke kosten van het
bestaan te voorzien. Gedaagde heeft bij besluit van 21 december 2004 het tegen het besluit van 20 oktober 2004 gemaakte
bezwaar ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daarbij het advies
overgenomen van de Commissie bezwaarschriften, waarin is geconcludeerd
dat de vermogenstoets op correcte wijze heeft plaatsgevonden.
Bij uitspraak van 16 maart 2005 heeft de voorzieningenrechter van de
rechtbank - met beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten - het
tegen het besluit van 21 december 2004 ingestelde beroep gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw
besluit op bezwaar te nemen. Naar het oordeel van die rechter heeft
gedaagde de afkoopwaarde van de door verzoeker gesloten
levensverzekering terecht tot het vermogen van verzoeker gerekend.
Het besluit van 21 december 2004 is niettemin vernietigd aangezien bij
de vermogensvaststelling naar de toestand ten tijde van de aanvraag ten
onrechte niet in aanmerking is genomen dat voor het opeisen van de
vordering uit hoofde van de overeenkomst van geldlening van 15 februari
1996 (hierna: de vordering) een opzegtermijn van twee maanden geldt en
omdat niet is onderzocht of deze vordering (na opzegging) feitelijk
inbaar is. Voorts heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank bepaald
dat vanaf 15 februari 2005 tot de datum van bekendmaking van het nieuwe
besluit een voorschot op eventueel te verstrekken bijstand wordt betaald
ter hoogte van de helft van de voor verzoeker geldende bijstandsnorm.
Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd
voorzover daarbij is beslist omtrent het bij de vermogensvaststelling
in aanmerking nemen van de afkoopwaarde van de levensverzekering. Bij
faxbericht van 24 juni 2005 heeft verzoeker in kopie het in rubriek I
genoemde besluit van 23 juni 2005 aan de Raad gezonden. Daarin is
bepaald dat hem alsnog met ingang van 10 augustus 2004 voor de duur van
twee maanden een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) wordt
toegekend onder de voorwaarde dat de vordering door hem wordt opgeëist
binnen twee maanden na kennisneming van dit besluit. Dit nadere besluit
is volgens verzoeker genomen zonder hoor en wederhoor toe te passen. Hij
acht het in moreel opzicht onverantwoord dat hij de desbetreffende
vordering van zijn moeder opeist. Omdat het besluit van 23 juni 2005
gedeeltelijk aan zijn bezwaren tegemoet komt heeft hij ter zitting zijn
verzoek om voorlopige voorziening gewijzigd in die zin dat hij "een
hele bijstandsuitkering" verlangt (ook) vanaf 10 oktober 2004.
De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
a. De overwegingen op grond waarvan de voorzieningenrechter van de
rechtbank tot het oordeel is gekomen dat bij de vaststelling van het
vermogen van verzoeker de afkoopwaarde van de door hem afgesloten
levensverzekering moet worden betrokken zijn juist. De aangevallen
uitspraak komt in zoverre voor bevestiging in aanmerking.
b. Het op 23 juni 2005 genomen besluit is genomen ter uitvoering van de
uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank en moet worden
aangemerkt als een besluit dat op de voet van de artikelen 6:18, 6:19,
eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de
beoordeling moet worden betrokken.
c. Aan de orde is eerst de vraag of de grief inzake het niet (opnieuw)
horen van verzoeker terecht is opgeworpen. Deze vraag wordt ontkennend
beantwoord. Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb houdt niet een algemene
verplichting tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuw besluit
op bezwaar ter voldoening aan een eerdere uitspraak van de rechtbank
waarbij de eerdere beslissing op het bezwaar is vernietigd. Dat neemt
niet weg dat het uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk kan
zijn om belanghebbenden bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar
opnieuw te horen door een hoorcommissie. Een zodanige situatie doet zich
in dit geval echter niet voor. Daarbij laat de voorzieningenrechter
wegen dat verzoeker en zijn moeder voorafgaand aan het besluit van 23
juni 2005 mondeling hun zienswijze hebben gegeven over de opeisbaarheid
van de vordering en dat verzoeker desgevraagd aan gedaagde nadere
financiële informatie heeft verstrekt met betrekking tot de vraag in
hoeverre de woning van zijn moeder verder bezwaard kan worden met
hypotheek.
d. De vordering is als een middel in de zin van artikel 34, eerste lid,
aanhef en onder a, van de Wwb aan te merken, indien vaststaat dan wel
redelijkerwijs aannemelijk is dat verzoeker deze vordering direct met
succes kan opeisen dan wel anderszins te gelde kan maken.
Gelet op de op 12 mei 2005 door verzoeker aan gedaagde verstrekte
gegevens omtrent de waarde van de woning van zijn moeder en de
mogelijkheid om deze verder met hypotheek te bezwaren is voor de
voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat de vordering na
opzegging door verzoeker met inachtneming van een termijn van twee
maanden feitelijk inbaar zal zijn. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd
ziet de voorzieningenrechter geen grond om te oordelen dat uit een
oogpunt van toepassing van de Wwb redelijkerwijs van hem niet zou kunnen
worden gevergd om tot opeising van de vordering over te gaan.
e. Uit de in artikel 7:11 van de Awb neergelegde verplichting tot
volledige heroverweging van het primaire besluit vloeit voort dat,
behoudens zich hier niet voordoende uitzonderingen, op een
bezwaarschrift moet worden beslist met inachtneming van alle ten tijde
van het nemen van die beslissing van belang zijnde feiten en
omstandigheden. Dat is niet anders wanneer, zoals in dit geval, na een
vernietiging van een besluit op bezwaar door de rechter een nieuw
besluit op bezwaar moet worden genomen. Aan het besluit van gedaagde tot
toekenning van bijstand met ingang van 10 augustus 2004 kleven essentiële
gebreken, omdat daarin niet de op verzoeker van toepassing zijnde
bijstandsnorm en de hoogte van de toeslag zijn bepaald en daarin evenmin
het in het primaire besluit aangegeven bedrag van de hoogte van het bij
de aanvangsdatum van de bijstand (10 augustus 2004) aanwezige vermogen
van verzoeker opnieuw is vastgesteld. In zoverre is van een volledige
heroverweging geen sprake geweest.
f. Ter zitting heeft de gemachtigde van gedaagde desgevraagd niet kunnen
aangeven op welke grondslag het besluit berust om de duur van het
toegekende recht op bijstand van verzoeker te beperken tot twee maanden
na 10 augustus 2004. Op 10 oktober 2004 en ook ten tijde van het nemen
van het besluit van 23 juni 2005 kon niet worden gezegd dat het bedrag
van de vordering direct kon worden aangewend om in de noodzakelijke
kosten van het bestaan van verzoeker te voorzien. De
voorzieningenrechter stelt daarom vast dat het besluit van 23 juni 2005
in zoverre niet voldoet aan de in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb
neergelegde eis dat het op een deugdelijke motivering dient te berusten.
g. Het beroep voorzover dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het
besluit van 23 juni 2005 is gegrond. Gelet op hetgeen hiervoor onder e
en f is overwogen komt dat besluit wegens strijd met de artikelen 7:11
en 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.
Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen, inhoudende
toekenning van het recht op bijstand per 10 augustus 2004 en daarin de
hoogte van dat recht en van het op 10 augustus 2004 aanwezige vermogen
moeten vaststellen. Aan dat nader te nemen toekenningsbesluit kan (naast
de verplichtingen die ingevolge hoofdstuk 2 van de Wwb in elk geval aan
de bijstand verbonden zijn) ook de hierna te bespreken, in het te
vernietigen besluit van 23 juni 2005 genoemde aanvullende verplichting
worden verbonden.
h. Artikel 55 van de Wwb bepaalt - voorzover hier van belang - dat het
college van burgemeester en wethouders verplichtingen op kan leggen die
strekken tot vermindering of beëindiging van de bijstand. Naar het
oordeel van de voorzieningenrechter is gedaagde bevoegd aan het
toekennen van bijstand de verplichting te verbinden dat verzoeker binnen
twee maanden na bekendmaking van het nader te nemen toekenningsbesluit
de vordering bij zijn moeder opeist. Met de belangen van verzoekers
moeder behoeft gedaagde in het kader van de bijstandsverlening aan
verzoeker geen rekening te houden, aangezien zij geen subject van
bijstandsverlening is. In hetgeen verzoeker overigens heeft aangevoerd
ziet de voorzieningenrechter geen grond om te oordelen gedaagde bij
afweging van de in aanmerking komende belangen niet in redelijkheid tot
het besluit zou kunnen komen van deze bevoegdheid gebruik te maken.
i. Ter uitvoering van de in de uitspraak van 17 maart 2005 getroffen
voorlopige voorziening is aan verzoeker bijstand betaald tot de helft
van de voor hem geldende bijstandsnorm met ingang van 15 februari 2005.
Op 20 april 2005 is op de bankrekening van verzoeker het hem toekomende
deel uit de erfenis van zijn vader bijgeschreven. Het meest recente door
verzoeker ingezonden bankafschrift laat een klein positief saldo zien.
Gesteld noch gebleken is dat er voor verzoeker bedreigende schulden
zijn. Met de bekendmaking van het besluit van 23 juni 2005 is de door de
voorzieningenrechter van de rechtbank getroffen voorlopige voorziening
komen te vervallen. Ter zitting heeft de gemachtigde van gedaagde
meegedeeld dat bijstand naar het volledige normbedrag voor een
alleenstaande en een maximale toeslag aan verzoeker betaalbaar is
gesteld voor twee maanden. Van een financiële noodsituatie is volgens
deze gemachtigde nu geen sprake. Verzoeker heeft dit ter zitting niet
betwist.
Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter thans geen
aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Wel bestaat er
grond om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb
gedaagde een termijn van vier weken te stellen voor het nemen van het
nieuwe besluit op bezwaar.
j. De voorzieningenrechter ziet ten slotte aanleiding voor een
proceskostenveroordeling voor de reiskosten van verzoeker in hoger
beroep. Deze kosten worden begroot op € 28,28.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
in de hoofdzaak:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep gegrond voorzover dat geacht moet worden te zijn
gericht tegen het besluit van 23 juni 2005 en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde binnen vier weken na de datum van verzending van
deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van
hetgeen in rubriek II is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van verzoeker in hoger beroep
tot een bedrag groot € 28,28, te betalen door de gemeente Aalten;
Bepaalt dat de gemeente Aalten aan verzoeker het in hoger beroep
betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.
op het verzoek om voorlopige voorziening:
Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
Bepaalt dat de gemeente Aalten aan verzoeker het betaalde griffierecht
van € 103,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2005.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|