|
Uitspraak
voorzieningenrechter 05/2803 WWB-VV
U I T S P R A A K
op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht, in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het
geding tussen:
[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden,
gedaagde.
I. INLEIDING
Namens verzoekster heeft mr. A. Caddeo, advocaat te Amsterdam, hoger
beroep ingesteld (bij de Raad aanhangig onder reg.nr. 05/1396 WWB) tegen
de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 februari 2005, reg.nr.
03/5567 WWB.
Namens verzoekster heeft mr. Caddeo tevens verzocht om toepassing van
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
II. MOTIVERING
Ingevolge artikel 8:81 van de Awb in samenhang met artikel 21 van de
Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de
voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste
lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat
vereist.
Voorzover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure
wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een
voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in die
procedure.
De voorzieningenrechter gaat, gelet op de gedingstukken, uit van de
volgende feiten.
Verzoekster is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 februari
2003 in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is op 4 mei
2004 opgeheven.
Bij brief van 10 juni 2003 heeft gedaagde mededeling gedaan van zijn
besluit om - met toepassing van artikel 4:5 van de Awb - de gezamenlijke
aanvraag van verzoekster en [betrokkene] van 19 maart 2003 om een
uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet niet te behandelen.
Namens verzoekster heeft mr. Caddeo bij brief van 6 augustus 2003 tegen
dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 25 november 2003 heeft gedaagde het bezwaar wegens, niet
verschoonbare, termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bij brief van 23
december 2003 namens appellante door mr. Caddeo tegen dit besluit
ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft
daartoe, met verwijzing naar artikel 8:22 van de Awb in samenhang met
artikel 25 van de Faillissementswet, overwogen dat niet verzoekster zelf
maar slechts de curator in het faillissement van verzoekster bevoegd was
om beroep in te stellen.
In hoger beroep is dit oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden.
De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat de in hoger beroep
primair aan de orde zijnde rechtsvraag zich niet goed leent voor een,
hoezeer ook voorlopige, beantwoording in het kader van een verzoek om
voorlopige voorziening.
Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat als de Raad in de
hoofdzaak zou oordelen dat de rechtbank het beroep ten onrechte
niet-ontvankelijk heeft verklaard, de Raad zich vervolgens een oordeel
zal dienen te vormen over de vraag of gedaagde bij het besluit van 25
november 2003 het bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2003 terecht
niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dient die vraag
bevestigend te worden beantwoord. De voorzieningenrechter sluit zich aan
bij de overwegingen terzake
in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank
’s-Gravenhage van 24 november 2003, reg.nr. 03/4289, naar aanleiding van het - tweede -
verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster van 10 oktober 2003.
Ook de voorzieningenrechter van de Raad is van oordeel dat op grond van
de brief van 3 oktober 2003 van de curator in het faillissement van verzoekster niet kan worden
geconcludeerd dat het besluit van 10 juni 2003 niet door de curator aan
verzoekster is doorgezonden. De voorzieningenrechter merkt voorts nog op
dat niet is gebleken dat mr. Caddeo reeds ten tijde van de bekendmaking
van het besluit van 10 juni 2003 gemachtigde van verzoekster was, zodat
- anders dan is aangevoerd - gedaagde niet gehouden was dit besluit
bekend te maken aan mr. Caddeo in plaats van aan verzoekster zelf.
In die omstandigheden bestaat voor het treffen van een voorlopige
voorziening geen aanleiding. Het verzoek om voorlopige voorziening is
kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen
zonder toepassing van artikel 8:83, eerste lid, van de Awb.
Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht ziet de
voorzieningenrechter ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht af.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van J.W.M.
van Schaik als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) J.W.M. van Schaik.
|
|