|
Uitspraak
04/3267 WWB en 04/3268 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] en [appellante], appellanten, wonende te [woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellanten heeft mr. J.L. Crutzen, advocaat te Heerlen, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de
rechtbank Maastricht van 11 mei 2004, reg.nr. 04/543 WWB en 04/544 WWB.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, nadere stukken ingezonden
en vragen van de Raad beantwoord. Appellanten hebben eveneens nadere
stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 23 mei 2005, waar appellanten -
met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen en waar gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.J.A. Franssen, werkzaam bij de
gemeente Heerlen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellanten ontvingen sedert 2 oktober 1996 een uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden.
Bij besluit van 13 februari 2004 heeft gedaagde het recht op bijstand
van appellanten met ingang van 2 oktober 1996 op grond van artikel 54,
derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (Wwb)
ingetrokken.
Bij besluit van 6 april 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 13 februari 2004, onder wijziging van de aanvangsdatum van
intrekking van het recht op bijstand in 1 juli 1997, ongegrond verklaard
en het verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen. Gedaagde
heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellanten vermogen
hebben verzwegen en nadien ook onvoldoende inlichtingen over dit
vermogen hebben verstrekt om gedaagde in staat te stellen het recht op
bijstand vast te stellen. Appellanten zouden sinds 1994 een woning aan
de [adres], Duitsland in eigendom hebben. Bruikbare informatie over de
hoogte van de waarde van de woning zou door appellanten niet zijn
verstrekt. Verder zouden appellanten in 1997 een bedrag van DM 40.000
hebben ontvangen van de Kreisverwaltung Cochem-Zell voor het opknappen
van voornoemde woning en zouden appellanten dit bedrag hebben ontvangen
op bankrekeningen bij de Kreissparkasse Cochem-Zell, die bij gedaagde
niet bekend waren.
Bij de aangevallen uitspraak is, voorzover van belang, het beroep tegen
het besluit van 6 april 2004 ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
Zij zijn van mening dat gedaagde per 28 september 2000 het recht op
bijstand wel kan vaststellen omdat zij met ingang van die datum in staat
van faillissement verkeerden en dit faillissement op 20 november 2003
is opgeheven wegens gebrek aan baten. Gedurende het faillissement waren
appellanten beschikkingsonbevoegd. De aan appellanten in eigendom
toebehorende woning is in het kader van het faillissement op 18 juli
2002 in het openbaar verkocht.
De Raad overweegt het volgende.
Periode die ter beoordeling staat
Gedaagde heeft bij het besluit op bezwaar van 6 april 2004 met ingang
van 1 juli 1997 het recht op bijstand van appellanten ingetrokken. In
dit besluit wordt niet met zoveel woorden aangeduid over welke periode
de intrekking zich uitstrekt. Weliswaar is besloten tot opschorting van
het recht op bijstand vanaf 17 december 2003 en is desondanks de
uitkering nog betaald tot 1 januari 2004, maar het recht op bijstand is
niet beλindigd. De Raad gaat er dan ook van uit, hetgeen door gedaagde
ter zitting is bevestigd, dat de intrekking de periode van 1 juli 1997
tot en met de datum van het primaire besluit, 13 februari 2004,
bestrijkt. Nu appellanten in hoger beroep zich enkel verzetten tegen de
intrekking van het recht op bijstand voorzover deze betrekking heeft op
de periode vanaf 28 september 2000, staat in dit geding ter beoordeling
van de Raad de periode van 28 september 2000 tot en met 13 februari
2004.
Het toepasselijke recht
Uit hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 21 april 2004,
LJN AT4358, volgt dat gedaagde vanaf 1 januari 2004 aan artikel 54 van
de Wwb zijn bevoegdheid ontleent om tot intrekking van het recht op
bijstand over te gaan en dat de rechten en verplichtingen van een
belanghebbende in beginsel dienen te worden beoordeeld naar de wetgeving
zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die
rechten en verplichtingen betrekking hebben.
Gedaagde heeft in de periode van 1 januari 2004 tot en met 13 februari
2004 geen gebruik gemaakt van de in het overgangsrecht van de Wwb
opgenomen mogelijkheid van het al voor 1 januari 2005 uitvoering geven
aan Wwb-bepalingen die van onmiddellijke inwerkingtreding op 1 januari
2004 zijn uitgezonderd. Dit betekent dat de inlichtingenverplichting van
artikel 65, eerste lid, van de Abw van toepassing is gebleven gedurende
de gehele periode waarop de intrekking ziet.
Beoordeling
Op grond van artikel 51, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw
(periode van 28 september 2000 tot en met 31 december 2003) en artikel
34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb (periode van 1 januari
2004 tot en met 13 februari 2004) wordt onder vermogen verstaan: de
waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij de
aanvang van de bijstandsverlening beschikt of redelijkerwijs kan
beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden.
Op grond van artikel 20 van de Faillissementswet (Fw) omvat het
faillissement het gehele vermogen van de schuldenaar ten tijde van de
faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement
verwerft.
Ingevolge artikel 23 van de Fw verliest de schuldenaar van rechtswege de
beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend
vermogen, te rekenen vanaf de dag waarop de faillietverklaring wordt
uitgesproken, die dag daaronder begrepen.
Niet in geschil is dat appellanten de in artikel 65, eerste lid, van de
Abw opgenomen inlichtingenverplichting hebben geschonden. De rechtspraak
van de Raad, inhoudende dat schending van de op een belanghebbende
rustende inlichtingenverplichting een rechtsgrond vormt voor intrekking
van het recht op bijstand, indien en zolang door die schending het recht
op bijstand niet of niet langer kan worden vastgesteld, blijft haar
gelding behouden onder de Wwb. Toegespitst op de thans nog te beoordelen
periode gaat het om het antwoord op de vraag of met betrekking tot deze
periode gezegd kan worden dat als gevolg van de schending van de
inlichtingenverplichting van artikel 65, eerste lid, van de Abw niet kan
worden vastgesteld of appellanten in omstandigheden verkeerden dat zij
niet over de middelen beschikten om in de noodzakelijke kosten van het
bestaan te voorzien (artikel 7 van de Abw, vanaf 1 januari 2004 artikel
11 van de Wwb). In dit verband is van belang dat appellanten op 28
september 2000 in staat van faillissement zijn verklaard, en dat de
woning in Duitsland ter voldoening van schulden op 18 juli 2002 is
verkocht. Voorts staat vast dat dit faillissement op 20 november 2003 is
opgeheven wegens gebrek aan baten. Op grond van het vorenstaande houdt
de Raad het ervoor dat appellanten in bijstandsbehoevende omstandigheden
verkeerden in de periode dat zij in staat van faillissement verkeerden.
Gesteld noch gebleken is dat dit anders zou zijn in de resterende
periode van 20 november 2003 tot en met 13 februari 2004. De Raad ziet
daarom geen toereikende grond om aan te nemen dat gedaagde bevoegd was
om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wwb
het recht op bijstand over het thans nog in geding zijnde tijdvak in te
trekken.
De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat
de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor vernietiging in
aanmerking komt. Doende wat de voorzieningenrechter van de rechtbank in
de hoofdzaak had behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het
besluit van 6 april 2004 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen
wegens strijd met de wet. De Raad zal gedaagde voorts opdragen een nieuw
besluit op bezwaar te nemen. Dit houdt tevens in dat gedaagde opnieuw op
het verzoek om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase dient te
beslissen.
Proceskosten
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op 644,--
in beroep en op 322,-- in hoger beroep voor verleende
rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 6 april 2004 voorzover dit betrekking heeft
op de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 28
september 2000 tot en met 13 februari 2004;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag
van 966,--, te betalen door de gemeente Heerlen aan de griffier van
de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Heerlen aan appellanten het in beroep en in
hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 139,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. G.A.J. van
den Hurk en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|