|
Uitspraak
voorzieningenrechter 05/2149 BZ en 05/2247 BZ-VV
U I T S P R A A K
in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet
bestuursrecht, alsmede op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van
de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met artikel 21 van de
Beroepswet, in het geding tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Kapelle,
gedaagde.
I. INLEIDING
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Middelburg van 5 april 2005, reg. nr. 04/681.
Verzoeker heeft tevens verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het verzoek is behandeld ter zitting van 31 mei 2005, waar verzoeker is
verschenen, bijgestaan door zijn echtgenoot [naam echtgenote]], en waar
gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door R. van de Velde,
werkzaam bij de gemeente Kapelle.
II. MOTIVERING
Algemeen
Ingevolge artikel 8:81 van de Awb in samenhang met artikel 21 van de
Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de
voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste
lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen
indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:86 van de Awb
houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de
voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de
zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de
beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de
hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek
redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat
ook overigens geen sprake is van beletselen om onmiddellijk uitspraak te
doen in de hoofdzaak.
Hoofdzaak
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de
voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verzoeker en [naam echtgenote] voeren, ten tijde hier van belang, de
volgende drie ondernemingen:
1. de eenmanszaak [naam eenmanszaak], die voornamelijk door [naam
echtgenote] wordt gevoerd;
2. de Stichting [naam Stichting 1], die door verzoeker wordt gevoerd, en
3. de Stichting [naam Stichting 2], die eveneens door verzoeker wordt
gevoerd.
Verzoeker heeft op 8 maart 2004, samen met zijn echtgenote [naam
echtgenote], een aanvraag voor levensonderhoud als beëindigende
zelfstandige ingediend op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) en het
hierop gebaseerde Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz
2004). Deze aanvraag is tevens opgevat als een aanvraag om een uitkering
op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) in aansluiting op een
uitkering als beëindigende zelfstandige.
Bij besluit van 8 juni 2004 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen en
bepaald dat verzoeker evenmin in aanmerking kan worden gebracht voor een
uitkering op grond van de Ioaz. Volgens gedaagde wordt niet aan het
begrip zelfstandige in de zin van het Bbz 2004 en de Ioaz voldaan. [Naam
echtgenote] voldoet naar het oordeel van gedaagde niet aan het vereiste
urencriterium en ten aanzien van verzoeker stelt gedaagde zich op het
standpunt dat de ondernemingsvorm van een stichting het niet mogelijk
maakt om verzoeker aan te merken als zelfstandige.
Bij besluit van 10 augustus 2004 heeft gedaagde het bezwaar van
verzoeker tegen het besluit van 8 juni 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker
tegen het besluit van 10 augustus 2004 ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak
gekeerd. Hij is van opvatting dat de bepalingen van het Bbz 2004 en de
Ioaz geen beletsel vormen om hem aan te merken als zelfstandige.
De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
Artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz 2004 bepaalt, voorzover hier
van belang, dat onder zelfstandige wordt verstaan: de belanghebbende van
18 tot 65 jaar, die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op
arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die
voldoet aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 en alleen of samen met degenen met wie hij het
bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent de volledige zeggenschap in dat
bedrijf of zelfstandig beroep heeft en de financiële risico’s daarvan
draagt.
Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bbz 2004 bepaalt dat
algemene bijstand kan worden verleend aan de zelfstandige wiens bedrijf
of zelfstandig beroep niet levensvatbaar is en die zich verplicht de
activiteiten in het bedrijf of zelfstandig beroep zo spoedig mogelijk,
doch uiterlijk binnen 12 maanden, te beëindigen. Op grond van artikel
27 van het Bbz 2004 is verlenging van deze termijn met ten hoogste 12
maanden op verzoek van de zelfstandige mogelijk voorzover de beëindiging
naar het oordeel van het college een langere termijn noodzakelijk maakt.
Uit de uitspraak van de Raad van 25 maart 1997 (LJN ZB6873) blijkt dat
de stichtingsvorm van de onderneming niet aan het begrip zelfstandige in
de weg hoeft te staan. Niet de juridische constructie is bepalend, als
wel de mate waarin de situatie in economisch opzicht overeenkomt met die
behorend bij een eenpersoonsbedrijf. Van belang hierbij is de mate
waarin is voldaan aan de kenmerken van de zelfstandige zoals het
werkzaam zijn in een eigen bedrijf of beroep, de inbreng van vermogen in
dat bedrijf of beroep en de beheers- en bestuursbevoegdheden.
Deze onder de (oude) Algemene Bijstandswet en het daarop gebaseerde
Bijstandsbesluit zelfstandigen (BZ) tot stand gekomen jurisprudentie
blijft haar gelding behouden onder de Wwb. Het begrip zelfstandige zoals
opgenomen in het BZ is niet wezenlijk gewijzigd bij de invoering van de
(nieuwe) Algemene bijstandswet en het daarop gebaseerde Besluit
bijstandsverlening zelfstandigen en heeft evenmin een wezenlijke
wijziging ondergaan bij de invoering van het hier van toepassing zijnde
Bbz 2004.
De verwijzing door gedaagde naar artikel 30 van het Bbz 2004, waar de
stichting niet wordt genoemd, doet aan het voorgaande niet af. Dit
artikel stelt enkel nadere voorwaarden aan de bijstandsverlening in de
vorm van bedrijfskapitaal, hetgeen in dit geschil niet aan de orde is.
Verzoeker is sinds 22 december 1988 alleen en zelfstandig bevoegd
bestuurder van de Stichting [naam Stichting 2]. Uit de statuten van deze
stichting, die laatstelijk op 19 september 2001 zijn gewijzigd, blijkt
onder meer het volgende. Het doel van de stichting is het verstrekken
van adviezen voor kapitaalinvesteringen alsmede het bevorderen en
aangaan van zakelijke en andere contacten tussen (kleine) ondernemers
van Nederlandse, Duitse en/of andere nationaliteit, de bemiddeling
daarbij en het bieden van faciliteiten in verband hiermee, in ruime zin
des woords. Dit doel tracht de stichting te bereiken door het verzorgen
van een complete administratieservice ten behoeve van binnen- en
buitenlandse ondernemingen dan wel privépersonen, een en ander voor
rekening en risico van de betrokken opdrachtgever. De geldmiddelen van
de stichting bestaan uit vergoedingen voor bewezen diensten en alle, op
wettige wijze verkregen, andere baten. Uit de gedingstukken blijkt
verder dat verzoeker voor de inkomsten uit deze stichting door de
Belastingdienst wordt aangeslagen voor inkomstenbelasting en
premieheffing.
Ter zitting heeft gedaagde desgevraagd aangegeven dat er geen twijfel
bestaat dat verzoeker voldoet aan het urencriterium bedoeld in het Bbz
2004. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de
voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker moet worden beschouwd als
een zelfstandige in de zin van het Bbz 2004 alsmede in de zin van de
Ioaz. De vraag of [naam echtgenote] met haar computerbedrijf [naam computerbedrijf]
eveneens als zelfstandige in bovenbedoelde zin kan worden aangemerkt, is
dan niet meer van belang en kan derhalve onbeantwoord blijven.
Van omstandigheden waaruit zou blijken dat verzoeker en [naam
echtgenote] - anders dan in de aanvraag om bijstand is vermeld - niet de
wil hadden om hun ondernemingen te beëindigen, zoals door gedaagde is
gesteld, is de voorzieningenrechter niet gebleken en komt evenmin
overeen met de feiten nu deze ondernemingen, na eerst op non-actief te
zijn gesteld, laatstelijk met ingang van 30 mei 2005 zijn beëindigd.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat gedaagde verzoeker ten
onrechte niet heeft aangemerkt als zelfstandige. De rechtbank heeft dit
niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in
aanmerking komt. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de
voorzieningenrechter het beroep tegen het besluit van 10 augustus 2004
gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met de wet.
De voorzieningenrechter zal gedaagde voorts opdragen een nieuw besluit
op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is
overwogen.
Van proceskosten is de voorzieningenrechter niet gebleken.
Voorlopige voorziening
Gelet op het oordeel in de hoofdzaak bestaat op grond van de thans
beschikbare gegevens een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat
verzoeker recht heeft op bijstand. In die omstandigheid ziet de
voorzieningenrechter, mede gelet op de financiële situatie van
verzoeker zoals ter zitting is gebleken, aanleiding een voorlopige
voorziening te treffen. In dit verband wordt aan gedaagde opgedragen om
met ingang van 12 april 2005, zijnde de datum van indiening van het
verzoek, tot zes weken nadat het nieuw te nemen besluit op bezwaar is
bekendgemaakt aan verzoeker algemene bijstand toe te kennen naar de norm
voor gehuwden als ware aan hem bijstand toegekend als beëindigende
zelfstandige op grond van het Bbz 2004. De voorzieningenrechter merkt
hierbij op dat verzoeker er rekening mee dient te houden dat niet valt
uit te sluiten dat gedaagde bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar
alsnog op belemmeringen stuit die toekenning van de gevraagde bijstand
in de weg staan. In dat geval is gedaagde, in beginsel, op grond van
artikel 45, tweede lid, van het Bbz 2004 gehouden om de op grond van
deze uitspraak verleende bijstand terug te vorderen.
Van proceskosten van verzoeker is niet gebleken.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat - ook - het
griffierecht ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening wordt
vergoed.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
in de hoofdzaak:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 10 augustus 2004;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Bepaalt dat de gemeente Kapelle aan verzoeker het in beroep en in hoger
beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.
op het verzoek om voorlopige voorziening:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht toe in die zin dat wordt bepaald dat gedaagde aan
verzoeker met ingang van 12 april 2005 tot en met zes weken na de
bekendmaking van het nieuw te nemen besluit op bezwaar bijstand toekent
naar de norm voor gehuwden als ware aan hem bijstand toegekend als beëindigende
zelfstandige op grond van het Bbz 2004;
Bepaalt dat de gemeente Kapelle aan verzoeker het betaalde griffierecht
van € 103,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten, in tegenwoordigheid van mr.
P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 juni
2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.C. de Wit.
|
|