|
Uitspraak
05/2260 WWB-VV
U I T S P R A A K
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het
geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem,
verzoeker,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. INLEIDING
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank
Haarlem op 23 februari 2005 tussen partijen gewezen uitspraak met
registratienummer 04-1420.
Dit hoger beroep is bij de Raad geregistreerd onder nummer 05/2067 WWB.
Verzoeker heeft tevens verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).
II. MOTIVERING
Bij besluit van 30 maart 2004 heeft verzoeker de aanvraag van gedaagde
om bijstand voor de kosten van levensonderhoud op grond van de Wet werk
en bijstand (Wwb) afgewezen.
Op 1 juni 2004 heeft het Bureau Klachten, Bezwaar en Beroep van
verzoeker gedaagde een brief gestuurd waarbij hij in kennis is gesteld
over het nader onderzoek dat naar aanleiding van zijn bezwaar heeft
plaatsgevonden. Verzoeker deelt in deze brief voorts mee dat, indien
gedaagde niet binnen twee weken reageert, er vanuit wordt gegaan dat hij
afziet van de mogelijkheid om over zijn bezwaar te worden gehoord.
Bij besluit van 12 juli 2004 heeft verzoeker het bezwaar van gedaagde
tegen het besluit van 30 maart 2004 ongegrond verklaard. Verzoeker is er
bij dit besluit vanuit gegaan dat gedaagde niet wenste te worden gehoord
omdat gedaagde niet tijdig heeft gereageerd op de brief van 1 juni 2004.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling
omtrent het griffierecht - het tegen het besluit van 12 juli 2004
ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en verzoeker
opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze
uitspraak. De rechtbank heeft hierbij geoordeeld dat verzoeker ten
onrechte gedaagde niet heeft gehoord omtrent zijn bezwaar en dat
gedaagde hiervan nadeel heeft ondervonden. De rechtbank acht het in de
gegeven omstandigheden niet onaannemelijk dat de eerste aanvraag zou
zijn toegewezen indien eiser toentertijd in de gelegenheid was gesteld
om zijn zienswijze mondeling toe te lichten voordat de beslissing op
zijn bezwaar was genomen.
De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 8:81 van de Awb in samenhang met artikel 21 van de
Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de
voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste
lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat
vereist.
Volgens - inmiddels - vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de
uitspraak van 2 december 2003, LJN AO0764, is de mogelijkheid om
hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen,
niet bedoeld om door middel van de zogenoemde kortsluiting de
behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend
belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de
hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te
maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde
bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, en het
verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.
Verzoeker stelt belang te hebben bij een voorlopige voorziening omdat
anders uitvoering gegeven zou moeten worden aan de beslissing van de
rechtbank en een nieuw besluit genomen zou moeten worden waar verzoeker
het inhoudelijk/juridisch niet mee eens is en daarvan in hoger beroep is
gekomen. De voorzieningenrechter ziet hierin geen aanknopingspunt voor
het aannemen van een zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de
hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.
Het verzoek om voorlopige voorziening is dan ook kennelijk ongegrond,
zodat de voorzieningenrechter gelet op artikel 8:83, derde lid, van de
Awb uitspraak kan doen zonder toepassing van artikel 8:83, eerste lid,
van de Awb.
Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht ziet de
voorzieningenrechter ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten, in tegenwoordigheid van T.A.
Willems-Dijkstra als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juni
2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) T.A. Willems-Dijkstra.
|
|