|
Uitspraak
voorzieningenrechter 05/3046 WWB-VV
U I T S P R A A K
Op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht, in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het
geding tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld (bij de Raad aanhangig onder reg.nr.
05/3018 WWB) tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 april
2005, reg.nr. 05/826 WWB.
Bij brief van 19 mei 2005 heeft verzoeker tevens verzocht om toepassing
van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Met toepassing van artikel 8:83, derde lid van de Awb is de behandeling
van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen
uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Verzoeker ontvangt een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb)
van gedaagde.
Op 19 oktober 2004 heeft gedaagde aan verzoeker als aanvulling bij het
besluit inzake de toekenning of de voortzetting van de uitkering
ingevolge de Wwb een werkpolis doen toekomen. Verzoeker heeft deze
werkpolis op 25 oktober 2005 ondertekend en voorzien van enkele
opmerkingen over de inhoud ervan.
Bij brief van 16 maart 2005 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het
niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar met betrekking tot de
door verzoeker gemaakte opmerkingen over de inhoud van de werkpolis van
19 oktober 2004.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk
verklaard. De rechtbank heeft hierbij - onder meer - overwogen dat de
werkpolis van 19 oktober 2004 niet als een besluit in de zin van artikel
1:3, eerste lid, van de Awb kan worden beschouwd.
Verzoeker is van mening dat de werkpolis als een besluit als bedoeld in
artikel 1:3, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt. In het
verzoekschrift heeft verzoeker vermeld dat de noodzaak tot het indienen
van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening daarin is
gelegen, dat de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar
ruimschoots is overschreden.
De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 8:81 van de Awb in samenhang met artikel 21 van de
Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de
voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste
lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat
vereist.
Volgens - inmiddels - vaste jurisprudentie van de Raad is de
mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige
voorziening te doen, niet bedoeld om door middel van zogenoemde
kortsluiting de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen.
Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening
voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin
een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86,
eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te
doen in de hoofdzaak, en het verzoek om voorlopige voorziening af te
wijzen.
Hetgeen door verzoeker is aangevoerd levert geen grond op om te oordelen
dat er van de zijde van verzoeker sprake is van een spoedeisend belang
bij het treffen van de gevraagde voorziening. In de aangevallen
uitspraak heeft de rechtbank een oordeel gegeven over het beroep tegen
het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Ingevolge artikel 6:2,
aanhef en onder b, van de Awb wordt het niet tijdig nemen van een
besluit gelijkgesteld met een besluit. Ook anderszins vormen de door
verzoeker aangevoerde omstandigheden geen zodanig spoedeisend belang dat
de uitspraak in de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.
Het verzoek om voorlopige voorziening is dan ook kennelijk ongegrond.
Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht ziet de
voorzieningenrechter ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht af.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter in
tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 28 juni 2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) M. Pijper.
|
|