|
Uitspraak
voorzieningenrechter
Centrale
Raad van Beroep 05/3801
WWB-VV en 05/3803 WWB-VV
U I T S P R A A K
inzake het verzoek om toepassing van artikel
8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet
in de gedingen tussen:
[verzoekers], wettelijk vertegenwoordigd door [wettelijke
vertegenwoordigers], wonende te [woonplaats], verzoekers,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Zaanstad, gedaagde.
I. Inleiding
Namens verzoekers heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank
Haarlem van 17 mei 2005, reg.nr. 05/1583 WWB en 05/1584 WWB.
Bij brief van 4 juni 2005, ontvangen op 7 juni 2005, heeft mr. Fischer
namens verzoekers tevens verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel
8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb).
Partijen hebben nadere stukken ingezonden.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 2 augustus 2005, waar
verzoekers en hun ouders, bijgestaan door mr. Fischer, zijn verschenen
en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door G.S. Woudstra,
werkzaam bij de gemeente
Zaanstad.
II. Motivering
Ingevolge het bepaalde in artikel
8:81 van de Awb
kan een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde
spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Hierbij geldt dat
voor het treffen van een voorlopige voorziening als in dit geval
gevraagd, moet worden bezien of op grond van een afweging van de
wederzijds in aanmerking komende belangen bij een al dan niet
onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak het verzoek om een
voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. Daarbij komt ook in
beeld de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat
dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. Voor zover deze
toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld,
heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en
is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het
volgende gebleken.
Verzoekers, geboren in 1994 respectievelijk 2003, hebben, evenals hun in
1966 respectievelijk 1970 geboren ouders, de Ghanese nationaliteit. De
ouders van verzoekers hebben zich op 25 januari 2005 gemeld bij de Centrale
organisatie werk en inkomen voor een aanvraag om algemene bijstand.
Bij besluit van 10 februari 2005 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen.
Mr. Fischer heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, gedaagde verzocht
bij zijn heroverweging de belangen van verzoekers te betrekken en in dit
verband een beroep gedaan op het Internationaal verdrag inzake de
rechten van het kind (Trb. 1990, 170; hierna: IVRK).
Bij besluit van 19 april 2005 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 10 februari 2005 ongegrond verklaard op de grond dat de
doelstelling van de Koppelingswet een
voldoende rechtvaardiging vormt voor ongelijke behandeling van personen
die nog niet tot Nederland zijn toegelaten. Verzoekers zijn geen
personen als bedoeld in artikel 11 van de Wet
werk en bijstand (Wwb). Een beroep op grond van zeer dringende
redenen kan volgens gedaagde niet slagen op grond van artikel
16, tweede lid, van de Wwb.
Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de
voorzieningenrechter van de rechtbank
Haarlem het tegen het besluit van 19 april 2005 ingestelde beroep
ongegrond verklaard. Het oordeel van deze rechter komt er - kort
samengevat - op neer dat gedaagde niet de bevoegdheid toekomt om ten
aanzien van verzoekers toepassing te geven aan artikel
16, eerste lid, van de Wwb en dat het
beroep op het IVRK niet slaagt.
Namens verzoekers is dit oordeel gemotiveerd bestreden.
De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge het stelsel van de (oude) Algemene Bijstandswet (ABW) en het
Bijstandsbesluit landelijke normering kwam aan een minderjarig kind in
beginsel geen zelfstandig recht op bijstand toe. Artikel 6 van de ABW
bood de mogelijkheid daarvan af te wijken indien zulks gelet op alle
omstandigheden wenselijk was (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 april
1997, LJN ZB6764). Bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel
tot ratificatie van het IVRK (welk voorstel tot de Rijkswet van 24
december 1994, Stb. 962, 1994, heeft geleid) heeft de wetgever op
deze mogelijkheid in de ABW gewezen en in dit verband opgemerkt:
"Het recht op een toereikende levensstandaard is als algemeen, aan
"een ieder" toekomend sociaal mensenrecht reeds in artikel
11 van het IVESC
[Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele
rechten, red.] neergelegd. Artikel 27 van het Internationaal verdrag
inzake de rechten van het kind bevestigt dat dit recht ook in het
bijzonder aan kinderen toekomt, en wel rekening houdend met de
specifieke behoeften van het kind; de levensstandaard moet immers
toereikend zijn voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele,
zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.
Omdat een kind in de regel in een gezin wordt verzorgd, is het volgens
het tweede lid van artikel 27 in de eerste plaats de
verantwoordelijkheid van de ouders (of anderen die verantwoordelijk zijn
voor het kind) om naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële
mogelijkheden in het levensonderhoud van het kind te voorzien. Ouders
zijn, volgens artikel 404 van Boek 1 BW [Burgerlijk Wetboek, red.],
verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun
minderjarige kinderen, zowel wanneer het wettige als wanneer het
onwettige kinderen betreft. Omdat zij aan deze financiële verplichting
"naar draagkracht" moeten voldoen en de verplichting niet
beperkt is tot de kosten van zaken als voeding en kleding, maar ook die
van de opvoeding betreft, kan worden vastgesteld dat de Nederlandse
wetgeving aan de verdragsbepaling voldoet.
Zijn de ouders niet in staat in de kosten van de verzorging en opvoeding
van hun kind te voorzien, dan dienen volgens het derde lid van artikel
27 de staten die partij zijn passende maatregelen te treffen teneinde de
ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind te helpen dit
recht van het kind te verwezenlijken in overeenstemming met de nationale
omstandigheden en met de middelen die hun ten dienste staan. Als
elementen worden daarbij met name genoemd (overheids)programma’s voor
materiële bijstand en ondersteuning, met name betreffende voeding,
kleding en huisvesting.
Eerst en vooral kan in dit verband worden gewezen op de mogelijkheden
die de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284) verschaft. Juist
omdat het verdrag van de primaire verantwoordelijkheid van de ouders
uitgaat, moet de verstrekking van bijstand in de vorm van gezinsbijstand
in overeenstemming met het verdrag worden geacht." (Kamerstukken II
1992-1993, 22 855 (R 1451), nr. 3, blz. 37, en nr. 6, blz. 31-32).
De op 1 januari 1996 in werking getreden Algemene
bijstandswet (Abw) kende dezelfde uitzonderingsbevoegdheid tot
bijstandverlening aan een persoon die jonger is dan 18 jaar toe aan
burgemeester en wethouders. Deze bevoegdheid was neergelegd in artikel
11 (tekst tot 1 juli 1998) van die wet,
maar bestond slechts indien zeer dringende redenen daartoe noodzaakten.
Op grond van de op 1 juli 1998 in werking getreden Wet
van 26 maart 1998, Stb. 1998, 203 (hierna: Koppelingswet), is
deze bevoegdheid verder beperkt door aan artikel 11
van de Abw
een tweede lid toe te voegen, waarin tot uitdrukking is gebracht dat
deze bevoegdheid op grond van het zogeheten koppelingsbeginsel voortaan
niet meer bestaat ten aanzien van andere vreemdelingen dan die, bedoeld
in artikel 7, tweede en derde lid, van de Abw.
De werking van dit beginsel beperkt zich blijkens de geschiedenis van de
totstandkoming van de Koppelingswet tot illegale vreemdelingen die een
beschikking vragen van een bestuursorgaan voor zover het gaat om
verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen (zie Kamerstukken II
1995-1996, 24 233, nr. 6, blz. 7, en de uitspraak van de
Raad
van 31 augustus 2004, LJN AQ8801). Bij de
parlementaire behandeling zijn onder meer over de verenigbaarheid van
het desbetreffende wetsvoorstel met het IVRK vragen gesteld. Uit de
antwoorden van de toenmalige bewindspersonen blijkt evenwel niet dat de
voorgestelde (verdere) beperking van de bevoegdheid van burgemeester en
wethouders in artikel
11 van de Abw
is bezien in relatie tot het in artikel 2, eerste lid, van het IVRK
neergelegde discriminatieverbod en het bepaalde in de artikelen 3,
eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het IVRK. Zij hebben
volstaan met op te merken niet de mening te zijn toegedaan dat het
onthouden van bijstand in strijd zou kunnen komen met het IVRK
(Kamerstukken I 1996-1997, 24 233, nr. 76c, blz. 17, en nr. 149, blz.
11).
De
Raad
heeft in een reeks van uitspraken van 26 juni 2001 (zie bijvoorbeeld LJN
AB2276) onder meer overwogen dat het uitgangspunt van de koppelingswetgeving
in het algemeen niet op bedenkingen stuit. In zijn rechtspraak
betreffende de toepassing van de Abw heeft
de Raad reeds enkele malen beslist dat het in artikel
11, eerste lid, van de Abw
voorkomende begrip zeer dringende redenen ten aanzien van minderjarige
kinderen conform het bepaalde in de artikelen 3, eerste en tweede lid,
en 27, derde lid, van het IVRK moet worden uitgelegd (zie de uitspraken
van 29 maart 2005, LJN AT3468, 14 juni
2005, LJN AT8038, en 5 juli 2005, LJN
AT9963). Deze verdragsbepalingen betreffen kort gezegd de belangen
van het kind, de bescherming en de zorg respectievelijk het aan een kind
toekomende recht op een toereikende levensstandaard. Artikel
11, tweede lid, van de Abw
was in die zaken niet aan de orde, omdat het ging om kinderen met de
Nederlandse nationaliteit.
De Wwb
kent in artikel
16, eerste en tweede lid,
bepalingen met dezelfde inhoud en strekking als artikel
11, eerste en tweede lid, van de Abw.
Er zijn geen aanknopingspunten om ten aanzien van de uitleg van het in artikel
16, eerste lid, van de Wwb
voorkomende begrip zeer dringende redenen ten aanzien van minderjarige
kinderen anders te oordelen dan in de hiervoor genoemde uitspraken van
29 maart 2005, 14 juni 2005 en 5 juli 2005 is gedaan.
De tot heden gevormde jurisprudentie over de Wwb
geeft echter geen uitsluitsel over de vraag of de rechter artikel
16, tweede lid, van de Wwb
buiten toepassing moet laten indien niet-rechthebbende ouders ter
voorziening in de noodzakelijke bestaanskosten van hun kind(eren) het
bestuursorgaan hebben gevraagd om toepassing van artikel
16, eerste lid, van de Wwb,
omdat zij zelf niet (meer) in staat zijn de kosten van voeding en
kleding en andere essentiële, voor hun kinderen noodzakelijke kosten te
(blijven) betalen.
Het is aan een meervoudige kamer van de
Raad
om over deze principiële rechtsvraag een definitief oordeel te geven.
De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om, zoals ter
zitting namens gedaagde is verzocht, toepassing te geven aan artikel
8:86 van de Awb.
Met betrekking tot het verzoek om een voorlopige voorziening is het
volgende van belang.
Tussen partijen is niet in geschil dat de ouders van verzoekers geen
vreemdelingen zijn als bedoeld in artikel
11, tweede en derde lid,
van de Wwb
en voor zichzelf geen recht hebben op bijstand ingevolge de Wwb.
Verzoekers zijn evenmin vreemdelingen als bedoeld in artikel
11, tweede en derde lid,
van de Wwb.
Uit de thans beschikbare gegevens komt naar voren dat de ouders van
verzoekers hebben geleefd van geleend geld van vrienden, maar dat deze
vrienden ophouden hen te ondersteunen. Van in aanmerking te nemen
inkomen of vermogen van de ouders of van verzoekers is niet gebleken. De
gemeente
Zaanstad heeft blijkens
het besluit op bezwaar buiten het kader van de Wwb
een voorziening getroffen voor de waterleverantie aan het gezin. Ter
zitting heeft de gemachtigde van gedaagde erkend dat ten aanzien van
verzoekers sprake is van zeer dringende redenen in de zin van artikel
16, eerste lid, van de Wwb,
maar niettemin vastgehouden aan het standpunt dat artikel
16, tweede lid, van de Wwb
zich tegen bijstandverlening ten behoeve van verzoekers verzet.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er een redelijke mate
van waarschijnlijkheid dat de
Raad
laatstgenoemde bepaling in de hier aan de orde zijnde bodemzaken ten
aanzien van verzoekers buiten toepassing zal moeten laten. Hij baseert
zich daarbij op de tekst van de artikelen 2, eerste en tweede lid, 3,
eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het IVRK en op de op deze
artikelen verschenen commentaren van het Comité voor de rechten van het
kind. De in de Engelse verdragstekst voorkomende woorden "without
discrimination of any kind, irrespective of the child's or his or her
parents or legal guardian's (...) status" in artikel 2, eerste lid,
van het IVRK, bezien in samenhang met de andere zojuist genoemde
bepalingen, wijzen erop dat het koppelingsbeginsel geen voldoende
rechtvaardiging kan vormen voor het geheel uitsluiten van de
mogelijkheid om uitsluitend ten behoeve van de minderjarige kinderen
bijstand te verlenen in een situatie dat hun om deze bijstand vragende
niet-rechthebbende ouders zelf niet in staat zijn de kosten van voeding,
kleding en andere essentiële, voor de minderjarige kinderen
noodzakelijke kosten te betalen.
Ter zitting heeft de gemachtigde van de ouders van verzoekers meegedeeld
zich goed te kunnen vinden in verlening - bij wege van voorlopige
voorziening - van bijstand ter hoogte van het verschil tussen het
normbedrag voor een alleenstaande ouder (thans: €|807,77)
en dat voor een alleenstaande (thans: €|576,98)
zoals genoemd in artikel 21 van de Wwb.
Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om met
toepassing van artikel
8:81 van de Awb
de voorlopige voorziening te treffen dat met ingang van 7 juni 2005
(datum ontvangst verzoek) bijstand wordt betaald ter hoogte van het
verschil tussen het normbedrag voor een alleenstaande ouder en dat voor
een alleenstaande zoals genoemd in artikel 21
van de Wwb.
Hij ziet voorts aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van verzoekers. Deze kosten worden begroot op €|644,-
voor verleende rechtsbijstand. Ten slotte dient ook het griffierecht ten
aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening te worden vergoed.
III. Beslissing
De voorzieningenrechter van de Centrale
Raad van Beroep;
Wijst het verzoek om toepassing van artikel
8:81 van de Awb
toe, in die zin dat wordt bepaald dat met ingang van 7 juni 2005 aan de
ouders van verzoekers bijstand wordt betaald ter hoogte van het verschil
tussen het normbedrag voor een alleenstaande ouder en dat voor een
alleenstaande zoals genoemd in artikel
21 van de Wwb;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag
groot €|644,-, te betalen door de gemeente
Zaanstad;
Bepaalt dat de gemeente Zaanstad aan verzoekers het betaalde
griffierecht van €|103,- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2005.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|