|
Uitspraak
04/4186 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Medemblik,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 28 juni 2004, reg.nrs.
WWB 04/552 en WWB 04/1228.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met de gedingen met reg.nr. 03/4380 NABW en
05/115 WWB, behandeld ter zitting van 14 juni 2005, waar appellant niet
is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door
S. de Reus, werkzaam bij de gemeente Medemblik, bijgestaan door mr. R.J.
Boekel, advocaat te Medemblik. Na de sluiting van het onderzoek ter
zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden
afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter - met een
bepaling omtrent het griffierecht - voorzover van belang, het beroep in
de hoofdzaak gegrond verklaard, het besluit op bezwaar van 8 juni 2004
vernietigd, de primaire besluiten van 10 maart 2004 en 15 maart 2004
herroepen, bepaald dat appellant met ingang van 8 maart 2004
onverminderd recht heeft op bijstand naar de toepasselijke bijstandsnorm
en bepaald dat die uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde
besluit.
Voorts heeft de voorzieningenrechter gedaagde veroordeeld in de
proceskosten van appellant tot een bedrag van € 26,60. De
voorzieningenrechter heeft het verzoek om schadevergoeding, voorzover
het betreft de vergoeding van wettelijke rente, toegewezen, doch het
verzoek om schadevergoeding voor het overige afgewezen.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd
voorzover het betreft de afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding
en de hoogte van de proceskostenveroordeling.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Met betrekking tot de veroordeling tot schadevergoeding en de
proceskostenveroordeling heeft de voorzieningenrechter bij de
aangevallen uitspraak, waar voor verzoeker en verweerder dient te worden
gelezen appellant en gedaagde, als volgt overwogen: “Nu wordt bepaald
dat verzoeker met ingang van 8 maart 2004 recht heeft op bijstand dient
het verzoek om schadevergoeding, voor zover dat betrekking heeft op
vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen uitkering, te
worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop verweerder de aan
verzoeker toekomende wettelijke rente moet berekenen volstaat de
voorzieningenrechter met verwijzing naar vaste jurisprudentie (CRvB 1
november 1995, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN ZB1495, en in JB
1995/314). Voor het overige wordt het verzoek om schadevergoeding
afgewezen.
Voor zover verzoeker stelt materiële schade te hebben geleden door het
mislopen van bijstandsuitkering, merkt de voorzieningenrechter op dat
uit deze uitspraak voortvloeit dat deze schade zich niet (meer)
voordoet. Ten aanzien van de overige door verzoeker genoemde
schadeposten is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker
onvoldoende heeft onderbouwd dat hij schade heeft geleden en ook
onvoldoende heeft onderbouwd dat deze schade, voor zover daar al sprake
van zou zijn, het gevolg is van het vernietigde besluit. De
voorzieningenrechter ziet geen grond voor toewijzing van immateriële
schade, nu niet aannemelijk is dat verzoeker in de persoon is aangetast
als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.”
(...) “Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten
bestuursrecht begroot op € 26,60 aan reiskosten. De door verzoeker
genoemde advocatenkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu
geen sprake is van door een advocaat of een andere derde beroepsmatig
verleende rechtsbijstand. De overige door verzoeker genoemde
proceskosten, waaronder portokosten, kunnen niet worden vergoed, omdat
het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voorziet in een vergoeding
van deze kosten.”
De Raad heeft in hetgeen door appellant is aangevoerd en hetgeen
overigens in de gedingstukken vermeld staat, geen aanleiding kunnen
vinden om tot een ander oordeel te komen. Daarbij verenigt de Raad zich
met de hierboven aangehaalde overwegingen, en maakt ze tot de zijne. Hij
voegt daaraan nog het volgende toe. De Raad heeft al eerder geoordeeld -
onder meer in zijn uitspraak van 28 december 2004, LJN AR8818 - dat,
gelet op het limitatieve karakter van de regeling van de
proceskostenvergoeding, die is neergelegd in artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het daarop gebaseerde Besluit
proceskosten bestuursrecht, de portokosten en de kosten van door
appellant geďnvesteerde tijd in bezwaar- en (hoger)beroepschriften niet
voor vergoeding in aanmerking komen. Aangezien artikel 8:75 van de Awb
een exclusieve regeling inhoudt, is voor een (aanvullende) vergoeding
van deze kosten op grond van artikel 8:73 van de Awb evenmin plaats.
Alle overige door appellant in hoger beroep aangevoerde grieven zijn
naar het oordeel van de Raad niet te herleiden tot de hier aan de orde
zijnde besluiten en dienen derhalve onbesproken te blijven.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de
aangevallen uitspraak voorzover aangevochten voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham als voorzitter en mr. C. van
Viegen en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van
S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 juli
2005.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|