|
Uitspraak
04/6154 WWB
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk,
geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van de Raad van 26 april 2005 is het door opposant
ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van
2 november 2004, reg.nr. 04/584 WWB, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft opposant een verzetschrift ingediend.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting
van 2 augustus 2005, waar opposant, zoals aangekondigd, niet is
verschenen. Geopposeerde heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De uitspraak van de Raad van 26 april 2005 steunt kort samengevat
hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel
22 van de Beroepswet verschuldigde griffierecht van 102,-- niet
binnen de in de brief van 16 februari 2005 gestelde termijn tot
uiterlijk 28 februari 2005 is betaald en dat op grond van de beschikbare
gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in
verzuim is geweest. In geding is de vraag of het hoger beroep van
opposant terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
Uit de gedingstukken is gebleken dat na de verzending van de brief van
16 februari 2005 opposant in de onderhavige zaak (nogmaals) is herinnerd
aan de betaling van het griffierecht in dit hoger beroep met een brief
van de griffier van de Raad van 24 februari 2005, waarin wordt verwezen
naar een eerdere op de betaling van dat griffierecht betrekking hebbend
rappel. Dit rappel bevat geen (nieuwe) dreiging met
niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep en eindigt met de
volgende zin:
"Mocht verdere vertraging onvermijdelijk zijn, dan verzoek ik u mij
daarvan
mededeling te doen."
Opposant heeft op de brief van 24 februari 2005 gereageerd met een
faxbericht van 25 februari 2005, kenmerk 04/6154 WWB, waarin hij inzake
betaling van griffierecht aan de rechtbank Zutphen nadere informatie
verstrekt en tevens meedeelt dat hij de Raad per omgaande nader zal
berichten in deze zaak zodra er nieuwe berichten zijn. Van de zijde van
de Raad is hierop geen reactie gegeven.
Gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden is de Raad van oordeel dat
in de onderhavige zaak opposant niet kan worden tegengeworpen dat hij
het griffierecht niet vσσr 28 februari 2005 heeft betaald.
Het verzet moet dan ook met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid
onder c, van de Awb gegrond worden verklaard. Dit brengt, gelet op
artikel 8:55, zevende lid, van de Awb, mee dat de uitspraak waartegen
verzet is gedaan, vervalt en dat het onderzoek wordt voortgezet in de
stand waarin het zich bevond.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet gegrond.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 augustus
2005.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|