|
Uitspraak
voorzieningenrechter 05/4617 WWB-VV en 05/4495 WWB
U I T S P R A A K
in de hoofdzaak, als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet
bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81
van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met artikel 21 van de
Beroepswet, in het geding tussen:
[verzoeker], verzoeker,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 14 juli 2005, reg.nrs.
05/2468 WWB en 05/2608 WWB.
Verzoeker heeft tevens verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 augustus 2005, waar
verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J. Klaas,
advocaat te Haarlem, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen
door C. Kreukniet, werkzaam bij de gemeente Haarlem.
II. MOTIVERING
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en 21 van de Beroepswet in
verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank
of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18
van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van
de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed,
gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel
8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de
voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek
redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak,
onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek
redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat
ook overigens geen sprake is van beletselen om onmiddellijk uitspraak te
doen in de hoofdzaak.
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de
voorzieningenrechter uit van de volgende feiten.
Verzoeker heeft op 14 februari 2005 een aanvraag ingediend om bijstand
ingevolge de Wet werk en bijstand. Deze aanvraag heeft geleid tot het
besluit van 14 maart 2005 waarbij gedaagde de aanvraag met toepassing
van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling heeft gelaten op de grond
dat verzoeker niet uiterlijk op 14 maart 2005 nadere gegevens heeft
verstrekt waar gedaagde bij brieven van 23 februari 2005 en 7 maart 2005 om had verzocht.
Bij besluit van 6 juni 2005 heeft gedaagde, voorzover hier van belang,
het bezwaar tegen het besluit van 14 maart 2005 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de
rechtbank, voorzover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 6
juni 2005 ongegrond verklaard en het verzoek tot het treffen van een
voorlopige voorziening afgewezen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter
van de rechtbank onder meer overwogen dat de door gedaagde gevraagde
bankafschriften zonder meer van belang zijn voor het bepalen van het
recht op bijstand. Nu verzoeker in gebreke is gebleven de gevraagde
bankafschriften te overleggen, was gedaagde gerechtigd de aanvraag
buiten behandeling te laten. Verder heeft de voorzieningenrechter van de
rechtbank overwogen dat het beroep op artikel 27 van het Verdrag inzake
de rechten van het kind faalt, reeds omdat verzoeker het in zijn macht
heeft zorg te dragen voor het verstrekken van voldoende informatie,
zodat gedaagde het recht op bijstand kan beoordelen.
Verzoeker heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd, voorzover daarbij het beroep ongegrond is verklaard.
De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan
besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft
voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van
de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende
zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de
beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een
door het bestuursorgaan te stellen termijn de aanvraag aan te vullen.
Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is
onder meer sprake van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag, indien
onvoldoende gegevens of bescheiden zijn verstrekt die een goede
beoordeling van de aanvraag mogelijk maken. Daarbij gaat het, gelet op
artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing
op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de
beschikking kan krijgen.
Verzoeker is bij brieven van 23 februari 2005 en 7 maart 2005 in de
gelegenheid gesteld zijn aanvraag aan te vullen met onder meer gegevens
omtrent zijn financiële situatie over de periode voorafgaande aan de
aanvraag, waaronder de (ontbrekende) bankafschriften uit 2004,
volgnummers 21, 25 en 26. Van deze bankafschriften moet worden gezegd
dat deze nodig zijn voor een goede beoordeling van de aanvraag. Daarbij
is terecht in aanmerking genomen dat de gevraagde afschriften betrekking
hebben op een periode kort voor de aanvraag en dat uit de wel tijdig
ingediende bankafschriften blijkt dat zich mutaties hebben voorgedaan.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker de zojuist genoemde
gegevens niet binnen de door gedaagde gestelde termijn heeft verstrekt.
Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker
redelijkerwijs in staat moet zijn geweest om over deze gegevens te beschikken en deze tijdig te overleggen. Hetgeen namens
verzoeker hieromtrent is aangevoerd leidt de Raad niet tot een ander
oordeel.
Met betrekking tot de grief dat verzoeker bij brief van 13 juli 2005 de
gevraagde ontbrekende bankafschriften heeft verstrekt zodat niet anders
kan worden geconcludeerd dan dat hij recht op bijstand heeft, merkt de
voorzieningenrechter het volgende op. Naar vaste rechtspraak van de Raad
brengt de aard en inhoud van het primaire besluit, strekkende tot buiten
behandeling laten van de onderhavige aanvraag om bijstand, met zich mee
dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na
het primaire besluit alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan
worden afgeweken indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan zou
moeten worden aangenomen dat verzoeker redelijkerwijs niet in staat is
geweest om ter zake informatie binnen de gestelde termijn te
verstrekken. In het voorgaande ligt reeds besloten dat hiervan in dit
geval geen sprake is.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat
gedaagde bevoegd was om de aanvraag met toepassing van artikel 4:5,
eerste lid, van de Awb buiten behandeling te stellen.
Voorts kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid tot het
buiten behandeling stellen van de aanvraag heeft kunnen komen. De
omstandigheid dat verzoeker de zorg heeft voor zijn twee minderjarige
kinderen maakt dit niet anders.
De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het beroep van verzoeker
op artikel 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind op goede
gronden verworpen.
In hetgeen overigens is aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen
grond om tot een ander oordeel te komen.
Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voorzover
aangevochten, dient te worden bevestigd.
Gelet hierop is er geen grond aanwezig voor het treffen van een
voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.
De voorzieningenrechter ziet ten slotte geen aanleiding voor een
veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van L. Jörg
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2005.
(get.) mr. G.A.J. van den Hurk.
(get.) L. Jörg.
|
|