|
Uitspraak
voorzieningenrechter 05/4779 WWB-VV
U I T S P R A A K
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het
geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam,
verzoeker,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. INLEIDING
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank
Rotterdam op 21 juni 2005 tussen partijen gewezen uitspraak met
registratienummer WWB 04/3899. Dit hoger beroep is bij de Raad
geregistreerd onder nummer 05/4753 WWB.
Verzoeker heeft tevens verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen
uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Gedaagde lost maandelijks af op een schuld bij verzoeker wegens teveel
betaalde bijstand. Naar aanleiding van een door verzoeker ingesteld
onderzoek naar de draagkracht van gedaagde heeft verzoeker bij besluit
van 13 april 2004 het maandelijks af te lossen bedrag met ingang van 1
mei 2004 gewijzigd van € 45,-- naar € 285,70.
Bij besluit van 24 november 2004 heeft verzoeker het bezwaar van
gedaagde tegen het besluit van 13 april 2004 ongegrond verklaard met
dien verstande dat de ingangsdatum van het nieuwe aflossingsbedrag is
gewijzigd in 1 december 2004.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 24 november
2004 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit wegens strijd met
artikel 3:4 van de Awb vernietigd en verzoeker opgedragen een nieuw
besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank heeft
hierbij overwogen dat verzoeker op grond van de wettelijke bepalingen de
bevoegdheid heeft om het aflossingsbedrag op € 285,70 vast te stellen
en dat verzoeker in dat verband voorbij kon gaan aan schulden van
gedaagde aan derden. Volgens de rechtbank staat daartegenover dat het
verschil tussen het oude en het nieuwe aflossingsbedrag zeer aanzienlijk
is en dat gedaagde dit redelijkerwijs niet heeft kunnen zien aankomen.
Niet onaannemelijk is dat een extra aflossingsverplichting van €
240,-- per maand zonder gewenningsperiode een onevenredig zware
belasting voor gedaagde betekent. Volgens de rechtbank had het in de
rede gelegen dat verzoeker een meer op de omstandigheden van gedaagde
toegesneden afbetalingsregeling had getroffen.
De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 8:81 van de Awb in samenhang met artikel 21 van de
Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de
voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet
hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op
verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed,
gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Volgens - inmiddels - vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de
uitspraak van 2 december 2003, LJN AO0764, is de mogelijkheid om
hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen,
niet bedoeld om door middel van de zogenoemde “kortsluiting” de
behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend
belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de
hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te
maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde
bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, en het
verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.
Verzoeker stelt spoedeisend belang te hebben bij schorsing van de
aangevallen uitspraak totdat in de bodemprocedure is beslist zodat hij
niet gebonden is om uitvoering te geven aan de aangevallen uitspraak.
Voorts stelt verzoeker dat het spoedeisend belang ook daarin is gelegen
dat naast deze zaak een groot aantal andere zaken bij verzoeker in
behandeling zijn waarbij een afbetalingsregeling moet worden vastgesteld
en waarbij verzoeker evenmin aan de hiervoor genoemde overwegingen van
de rechtbank gebonden wil zijn.
De voorzieningenrechter van de Raad ziet in hetgeen door verzoeker is
aangevoerd geen zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de
bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De omstandigheid dat verzoeker
meerdere zaken in behandeling heeft waarbij een afbetalingsregeling moet
worden vastgesteld maakt dat niet anders omdat de door verzoeker
bestreden overwegingen van de rechtbank uitsluitend betrekking hebben op
de zich in dit geval voordoende specifieke situatie en geen betekenis
hebben voor door verzoeker te behandelen bezwaren van andere personen
dan gedaagde.
Gelet op het voorgaande is het verzoek om voorlopige voorziening
kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter gelet op artikel
8:83, derde lid, van de Awb uitspraak kan doen zonder toepassing van
artikel 8:83, eerste lid, van de Awb.
Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht ziet de
voorzieningenrechter ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van T.A.
Willems-Dijkstra als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30
augustus 2005.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) T.A. Willems-Dijkstra.
|
|