|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/4631 WWB en 04/4632 WWB
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Utrecht van 13 juli 2004, reg.nrs. SBR 04/0600 en SBR 04/0601.
Gedaagde heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nog een nader stuk ingezonden.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 20 september 2005,
waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich niet
heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
In het kader van een heronderzoek naar de voor het recht op bijstand van
belang zijnde gegevens heeft gedaagde appellant bij brief van 30 juli
2003 verzocht het laatste afschrift van zijn bankrekeningnummer [nummer]
op 11 augustus 2003 over te leggen. Gedaagde heeft daarbij meegedeeld
dat het recht op bijstand zal worden opgeschort indien appellant niet
aan dit verzoek voldoet. Het door appellant tegen deze brief gemaakte
bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 13 januari 2004 niet-ontvankelijk
verklaard.
Bij brief van 30 september 2003 heeft gedaagde de melding van appellant
dat hij van plan is in december 2003 vier weken op vakantie te gaan
bevestigd en daarbij tevens gewezen op een aantal uitgangspunten met
betrekking tot het houden van vakantie met behoud van het recht op
bijstand. Het tegen deze brief gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij
besluit van 20 januari 2004 eveneens niet-ontvankelijk verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de
besluiten van 13 en 20 januari 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de brieven van 30 juli 2003
en 30 september 2003 niet zijn aan te merken als besluiten in de zin van
artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De
Raad onderschrijft daarbij de overweging van de rechtbank dat noch een
verzoek om nadere gegevens noch een bevestiging van een vakantiemelding
op zichzelf gericht zijn op enig rechtsgevolg. Gedaagde heeft de
bezwaren van appellant tegen de voornoemde brieven dan ook terecht
niet-ontvankelijk verklaard.
Dit betekent dat de Raad niet kan en zal ingaan op hetgeen appellant in
hoger beroep inhoudelijk met betrekking tot de brieven van 30 juli 2003
en 30 september 2003 naar voren heeft gebracht.
De grief dat slechts het College van burgemeesters en wethouders zelf
bevoegd zou zijn de voor de bijstandsverlening relevante gegevens op te
vragen en een vakantiemelding te bevestigen kan de Raad niet volgen.
Niet valt immers in te zien waarom gedaagde in het kader van de hem bij
wet (in casu de Algemene bijstandswet) opgedragen taken geen medewerkers
van de gemeente zou mogen inschakelen teneinde deze met de uitvoering - inclusief de daarbij behorende feitelijke handelingen - van diezelfde
wet te belasten. Dat het niet voldoen aan het verzoek om een
bankafschrift over te leggen kan leiden tot een besluit (van gedaagde)
waarbij het recht op bijstand wordt opgeschort, maakt dit niet anders.
De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet kan slagen
en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M. Pijper
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2005.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) M. Pijper.
|
|