|
Uitspraak
voorzieningenrechter 05/5430 WWB en 05/5433 WWB-VV
U I T S P R A A K
in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), alsmede op het verzoek om toepassing van artikel
8:81 van de Awb, in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het
geding tussen:
[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster (appellante in de
hoofdzaak),
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Hoogezand-Sappemeer, gedaagde.
I. INLEIDING
Namens verzoekster heeft mr. F. Bakker, advocaat bij Rechtshulp Noord,
Bureau Groningen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 12 augustus 2005,
reg.nrs. 05/881 WWB en 05/997 WWB.
Namens verzoekster heeft mr. Bakker tevens verzocht om toepassing van
artikel 8:81 van de Awb.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 27 september 2005. Verzoekster
is verschenen, bijgestaan door mr. Bakker. Gedaagde heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok, werkzaam bij de gemeente
Hoogezand-Sappemeer.
II. MOTIVERING
Ingevolge artikel 8:81 van de Awb in samenhang met artikel 21 van de
Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de
voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste
lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat
vereist.
Artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:86 van de Awb
houdt met betrekking tot de hoofdzaak tevens in dat de
voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de
zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de
beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de
hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek
redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat
ook overigens geen sprake is van beletselen om onmiddellijk uitspraak te
doen in de hoofdzaak.
Verzoekster ontving van gedaagde een uitkering ingevolge de Wet werk en
bijstand naar de norm voor een alleenstaande.
Bij besluit van 18 mei 2005 heeft gedaagde de betaling van de uitkering
met ingang van mei 2005 geblokkeerd. Bij besluit van 7 juni 2005 heeft
gedaagde het recht op uitkering met ingang van 9 mei 2005 beëindigd. De
besluitvorming berust op het standpunt dat verzoekster in haar woning te
Hoogezand een gezamenlijke huishouding voert met E. [betrokkene].
Bij besluit van 21 juli 2005 heeft gedaagde de namens verzoekster door
mr. Bakker tegen de besluiten van 18 mei 2005 en 7 juni 2005 gemaakte
bezwaren ongegrond verklaard. Daarbij is gedaagde afgeweken van het
advies van de Commissie voor bezwaar- en beroepschriften Sociale Zaken
en Wet voorzieningen gehandicapten van de gemeente Hoogezand-Sappemeer
van 22 juni 2005, dat strekt tot gegrondverklaring van de bezwaren.
De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij de aangevallen
uitspraak, voorzover hier van belang, het namens verzoekster door mr.
Bakker tegen het besluit van 21 juli 2005 ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Naar aanleiding van hetgeen verzoekster in hoger beroep heeft aangevoerd
komt de voorzieningenrechter van de Raad tot de volgende beoordeling.
Vaststaat dat [betrokkene], die een eigen woning heeft te Hoogezand en
die werkzaam is als pijpfitter bij een bedrijf te Renkum, in de regel
van zondagavond tot en met vrijdagochtend op een camping te Renkum in
een - eigen - caravan verblijft. Op vrijdagmiddag gaat hij doorgaans
naar (de woning van) verzoekster, om haar te helpen bij het boodschappen
doen.
Volgens gedaagde brengt [betrokkene] aansluitend het gehele weekeinde
bij en met verzoekster door. Gedaagde heeft daartoe verwezen naar de
tijdens het huisbezoek op 9 mei 2005 door verzoekster tegenover (de)
twee sociaal rechercheurs afgelegde, in het rapport van 25 mei 2005
opgetekende, verklaring.
Volgens verzoekster, die de juistheid van de weergave van haar
verklaring heeft betwist, zijn zij en [betrokkene] slechts af en toe het
gehele weekeinde samen. [betrokkene] besteedt de zaterdag meestal aan
vissen; verzoekster is dan niet in zijn gezelschap. Ook verblijft
[betrokkene] in het weekeinde overdag regelmatig in zijn eigen woning.
Gedaagde heeft zich voorts beroepen op het feit dat in de woning van
verzoekster enkele kledingstukken en enkele andere persoonlijke zaken
van [betrokkene] zijn aangetroffen en dat [betrokkene] een sleutel heeft
van de woning van verzoekster. Ook heeft gedaagde verwezen naar de
verbruiksgegevens van gas en elektriciteit van de woningen van
verzoekster en [betrokkene].
Volgens verzoekster kunnen ook deze gegevens niet de door gedaagde
getrokken conclusie dragen.
De voorzieningenrechter is - met verzoekster - van oordeel dat de
beschikbare gegevens geen grondslag bieden voor de vaststelling dat de
activiteiten van [betrokkene], noch doordeweeks noch in het weekeinde, in
overwegende mate worden ondernomen vanuit de woning van verzoekster. Dat
[betrokkene] zijn hoofdverblijf heeft in de woning van appellante, is
dan ook niet komen vast te staan. De voorzieningenrechter onderschrijft
eveneens het standpunt van verzoekster dat de voorbereiding van
gedaagdes besluitvorming ernstige tekortkomingen vertoont. Zo is de
weergave van verzoeksters verklaring niet aan haar voorgehouden. Ook is
[betrokkene] niet gehoord en is geen huisbezoek in diens woning
afgelegd. Ten slotte acht de voorzieningenrechter van belang dat de
verbruiksgegevens van gas en elektriciteit, bezien in samenhang met de
overige gegevens, gedaagdes standpunt niet zonder meer ondersteunen.
Hieruit volgt dat niet is voldaan aan de eerste wettelijke voorwaarde
voor het bestaan van een gezamenlijke huishouding.
Uit het voorgaande vloeit voort dat, met vernietiging van de aangevallen
uitspraak voorzover aangevochten, het beroep gegrond moet worden
verklaard en dat het besluit van 21 juli 2005 moet worden vernietigd
omdat het tot stand is gekomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb en
bovendien niet op een deugdelijke feitelijke grondslag berust.
De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding om, zelf in de zaak
voorziend, de besluiten van 18 mei 2005 en 7 juni 2005 te herroepen nu
deze op hetzelfde, onhoudbaar gebleken, standpunt van gedaagde berusten.
Het verzoek om veroordeling van gedaagde tot schadevergoeding
(wettelijke rente over de ten onrechte niet betaalde uitkering) komt
voor toewijzing in aanmerking. Daarbij geldt dat de wettelijke rente is
verschuldigd over de niet tijdig betaalbaar gestelde bruto-uitkering,
met ingang van 1 juni 2005, en wel tot de dag van algehele voldoening.
Voorzover van toepassing geldt tevens dat telkens na afloop van een jaar
waarover de wettelijke rente wordt berekend, deze dient te worden
vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.
De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding om gedaagde te
veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling
van de bezwaren, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft
moeten maken. De voorzieningenrechter begroot deze kosten op € 1932,--
voor verleende rechtsbijstand. Daarbij wordt ten aanzien van de - twee -
bezwaarschriften toepassing gegeven aan de regeling betreffende
samenhangende zaken en worden de zitting bij de voorzieningenrechter van
de rechtbank en de zitting bij de voorzieningenrechter van de Raad
toegerekend aan de hoofdzaak.
Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat gelet op het
voorgaande geen grond.
Wel is er aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten in
verband met het verzoek om voorlopige voorziening, begroot op € 322,--
voor verleende rechtsbijstand, en om te bepalen dat het door verzoekster
in verband met het verzoek om voorlopige voorziening betaalde
griffierecht van € 103,-- aan haar wordt vergoed.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
in de hoofdzaak:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 21 juli 2005;
Herroept de besluiten van 18 mei 2005 en 7 juni 2005;
Veroordeelt de gemeente Hoogezand-Sappemeer tot vergoeding aan
verzoekster van de wettelijke rente over de niet tijdig betaalbaar
gestelde bruto-uitkering;
Veroordeelt gedaagde in de kosten van verzoekster in verband met de
behandeling van de bezwaren, het beroep en het hoger beroep tot een
bedrag van € 1932,--, te betalen door de gemeente Hoogezand-Sappemeer
aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Hoogezand-Sappemeer aan verzoekster het in
beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,--
vergoedt;
op het verzoek om voorlopige voorziening:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af;
Veroordeelt gedaagde in de kosten van verzoekster tot een bedrag van €
322,--, te betalen door de gemeente Hoogezand-Sappemeer aan de griffier
van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Hoogezand-Sappemeer aan verzoekster het betaalde
griffierecht van € 103,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van E.
Blijleven-de Vries als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11
oktober 2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) E. Blijleven-de Vries.
|
|